logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Hooverphonic
Suede 12-03-26

Steak Number Eight

Een avondje brute power met Pelican, Torche en Steak Number 8

STEAK NUMBER EIGHT: Toch ronduit verbijsterend dat zulke jonge snaken zo een verpletterende sound teweegbrengen. Volgens ons is het volkomen terecht dat die gasten Humo’s Rockrally hebben gewonnen, ook al hebben we dan de rest niet gehoord of gezien. En wat ons betreft hebben ze vanavond in Le Grand Mix ook de eerste prijs ‘simultaan headbangen’ weggekaapt, drummer inclusief. De muziek zouden we durven omschrijven als bulldozerrock met brains, dus geen hersenloze metal maar een fijne variant ervan, sommigen hebben het over post-metal (hardrock voor facteurs, denkt u dan, maar dat is het niet echt –sorry voor de flauwe woordspeling, ik kon het echt niet laten), het gaat vooral om brute power met af en toe een welkome adempauze. Ze teren echter niet op hun rockrally-succes en hebben ook een tweetal nieuwe nummers gebracht die je , ook niet als postboderocker,  meteen naar de strot grijpen. Onze Brent (zanger/gitarist) mocht gezellig zijn gitaar mishandelen en zoals gewoonlijk enkele snaren naar de filistijnen helpen.
Trouwens, onze steaks komen er vlotjes voor uit dat Isis, Godspeed en Mogwai hun grote voorbeelden zijn en dat is er duidelijk aan te horen, maar dat mag, want Isis en co zijn fantastisch en dit getuigt van een goede smaak. Verder hoorden wij ook flarden Karma To Burn en zelfs The Smashing Pumpkins in het heetst van hun dagen (era ‘Siamese dream’). Het blijft natuurlijk iets voor de liefhebbers van het genre want, maak u geen illusies, zowel Isis als Steak Number Eight zal u nooit of te nimmer op de radio horen, zelfs niet op Studio Brussel. U bestelt dan maar beter Steak Number Eight hun voortreffelijke debuutplaat via Myspace (een recensie kan u hier op uw gemak nog eens gerust nalezen op deze site). We zagen ook de heren van Torche en Pelican tijdens het concert goedkeurend knikken naar deze jonge West-Vlaamse kids van gemiddeld zestien. Een beter compliment kan het achtste biefstuk niet krijgen.

Ook TORCHE zal u niet gauw bespeuren op de radio. Dit viertal grossiert eveneens in een soort lome en zware metal maar houdt de songs vooral kort. Helmet, maar dan met gitaarsolo’s, daar moesten wij nu eens aan denken zie. Toch was deze set niet zo geslaagd als de laatste cd ‘Meanderthal’ deed vermoeden omdat de zang er maar heel flauwtjes doorkwam en het geheel een beetje te veel als een compleet dichtgeplamuurde brei klonk. De gitarist was de enige met lang haar, waarin hij dan weer overdreef, en speelde met de klassieke metal gitaarposes, zijn midlife crisis bevechtend. Maar slecht ? nee, dat hoort u ons niet zeggen.

PELICAN moest zich helemaal niks aantrekken van zangproblemen, omdat er in hun muziek gewoonweg niet gezongen wordt. De band klonk gelaagder, iets subtieler en vernuftiger dan hun twee voorgangers van vanavond, doch hard en zwaar was het alweer. Pelican is de Mogwai van de metal, als u zich daar ergens iets kan bij voorstellen. Wij vonden het allemaal bijzonder indrukwekkend en imposant, net als op hun laatste plaat ‘City of Echoes’. Pelican’s laatste song was een minutenlange formidabele bijtende gitaareruptie, gebaseerd op het eeuwenoude –nou ja- hippie-esk schemaatje in de E D A – akkoordjes, de perfecte apotheose van een geslaagde avond heavy rock. Geen voer voor facteurs.

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Stephen Stills

Stephen Stills: invloedrijke artiest gehinderd door stem

Geschreven door
Afgelopen maandag stond met de in Dallas geboren Stephen Stills een – gelukkig nog - levende legende uit de rock- en folkgeschiedenis op de planken van de AB. De muzikale piekmomenten van deze inmiddels 63 jarige singer-songwriter zijn in de eerste plaats te situeren tussen eind de jaren ’60 en begin de jaren ’70 toen hij niet alleen deel uitmaakte van de spraakmakende, invloedrijke groepen Buffalo Springfield en Crosby, Stills & Nash (&Young), maar daarnaast ook enkele prachtige soloplaten op zijn naam heeft staan, die niet alleen op de appreciatie, maar nog belangrijker op de medewerking van grootheden als Jimi Hendrix en Eric Clapton konden rekenen.
De laatste twee decennia is het werk dat Stills heeft uitgebracht van een veel minder consistent niveau. Zo was de ‘comeback’ plaat ‘Man Alive!’ uit 2005, erg degelijk maar niet te bestempelen als een klassieker.
Interessantere feiten waren er vorig jaar te noteren. Zo verscheen half 2007 het album ‘Just Roll Tape: April 26th, 1968’, een verzameling songs die Stills 40 jaar geleden solo en akoestisch opnam na een Judy Collins sessie en die nadien uitgewerkt terug te vinden zouden zijn op diverse platen. Ondanks de wat minder geluidskwaliteit, is het een waardevol tijdsdocument dat de diverse grootse nummers in hun eenvoud laat horen en dat door de fans enthousiast onthaald werd. Minder opbeurend nieuws volgde enkele maanden later toen Graham Nash liet weten dat er bij Stills prostaatkanker vastgesteld werd. De muziekwereld hield de adem in en in januari van dit jaar werd hij geopereerd. Gelukkig met succes. In die mate zelfs dat de tournee verder gezet werd en ook België mocht rekenen op zijn bezoek.
Net zoals wat zijn (ex-)kompaan Neil Young bij zijn recentste zaalconcerten deed, deelde ook Stills zijn set op in enerzijds een akoestisch gedeelte, gevolgd door elektrisch uitgevoerde versies van zijn nummers. Qua concept en idee was dit veelbelovend. Maar waar het bij die Canadese grootmeester wel lukte, blijkt dit dezer dagen veel minder goed uit te pakken bij Stephen Stills. Dit is niet te wijten aan zijn zo gereputeerde gitaarspel (het Amerikaanse tijdschrift Rolling Stone verkoos hem in 2003 namelijk niet voor niets als 28ste beste gitaarspeler ooit) maar wel aan zijn stem.

Uit Amerika ontvingen we al dreigende geruchten van het twijfelachtige niveau van de shows die Stephen Stills bracht, in de eerste plaats dus te wijten aan zijn bij momenten erbarmelijk toononvast geworden stem. En ja, om meteen duidelijk te zijn. Dit bleek ook in Brussel het geval te zijn.
Toen hij tien minuten eerder dan voorzien het podium op kwam en begeleid door zijn band, “Helplessly Hoping” inzette, bleek dit al meteen erg duidelijk een euvel te worden. Stephen Stills lachte dit aanvankelijk nog wat weg met de mededeling dat de voorbije show en het verblijf in Parijs heel wat inspanningen gevergd hadden en dat als zijn stem al na één dergelijke show zo klinkt, hij het nut van tijdens een tournee sober te blijven, niet inzag. Maar er is zeker meer aan de hand. Het rockbestaan is zijn tol aan het eisen en zijn voorbije ziekte en operatie zullen daar zeker ook niet in goede zin aan bijdragen.
Stephen Stills is nooit dé uitmuntende zanger geweest maar het was bij momenten pijnlijk om zien en vooral om horen hoe de hogere noten gewoon niet meer gehaald werden en er bij nagenoeg ieder nummer een duidelijke zucht van verlichting kwam van hem dat het nummer afgerond was.
Het was niet dat hij er geen zin in had of zijn show als een bepaalde verplichting afwerkte. Integendeel zelfs, Stephen Stills speelde erg gedreven en geconcentreerd en er kon genoten worden van zijn utstekende, vlugge gitaarspel dat duidelijk intact is gebleven. Bovendien was hij uitermate goedgezind, in voor een babbel en het enthousiasme was overduidelijk aanwezig maar het kostte hem fysisch zoveel moeite. Dit werd des te duidelijker toen meteen na het openingsnummer de nummers solo en enkel akoestisch begeleid op gitaar werden gebracht.
”Blind Fiddler Medley” werd nog pakkend gebracht en “Johnny’s Garden” (een nummer indertijd uitgebracht in samenwerking met een andere bijzondere groep, Manassas) klonk goed. Maar daarmee hebben we het zowat gehad voor wat betreft het akoestische gedeelte. “Treetop Flyer”, “Girl From The North Country” (een Bob Dylan cover), “Change Partners”, “4+20”, en “Daylight Again / Find The Cost Of Freedom” klonken onzuiver en hortend. Ook het sublieme “Suite: Judy Blue Eyes”, geschreven voor en over zijn toenmalige ex-liefje, de folkzangeres Judy Collins en indertijd nog erg knap uitgevoerd tijdens het legendarische Woodstockfestival, kon niet bekoren. Door de inbreng van de band kreeg deze klassieker wel nog een stevige finale en werd het publiek een motief toegeschoven om naar het tweede, elektrische deel van de set uit te kijken.
Na een korte pauze verschenen Stephen Stills en zijn bandleden, Todd Caldwell (keyboard) en oude getrouwen Joe Vitale (drums) en Kenny Passarelli (basgitaar), op de planken om er meteen stevig tegen aan te gaan met het swingende “Love The One You’re With” (afkomstig van Stills’ solodebuut uit ‘70).
Verrassend was dat vanuit een bewondering voor Tom Petty vervolgens een potige versie werd gebracht van diens “The Wrong Thing To Do”, terug te vinden op het eerder dit jaar uitgebrachte album van de opnieuw bij elkaar gebrachte band Mudcrutch.
Wat nadien volgde, was gitaar- en bluesrock uit de oude doos. Stills liet zich niet onbetuigd en nam enkele solopartijen voor zijn rekening (vooral tijdens “Isn’t It About Time”), daarbij steeds geruggensteund door de drie strak musicerende bandleden.
Net zoals gedurende het eerste deel werd vervolgens gegrossierd uit het omvangrijke oeuvre van Stills, gaande van nummers van hem als soloartiest (het door Stills aan de piano vertolkte “Ole Man Trouble”), Crosby, Stills & Nash (“Dark Star”), The Stills-Young Band (“Make Love To You”) en Buffalo Springfield (“Rock n’ Roll Woman” en het onvermijdelijke “For What It’s Worth”). Wat dit laatste betreft, bracht de uitvoering ervan in Brussel niet de verhoopte magie. Het psychedelische effect werd totaal meegesleurd in een bluesgetinte gitaargolf en ook van de zo fameuze, uit de duizend herkenbare intro was geen enkel spoor terug te vinden. Dezelfde sfeer uit de jaren ’60 terughalen is ondoenbaar en ook geen vereiste, maar nu ademde het nummer zelfs geen sfeer uit. Weg kans om er alsnog een onvergetelijke afsluiter van te maken. Ook de toegift “Wounded World” (uit Man Alive!) dat verweven werd met “Rocky Mountain Way”, een nummer van Joe Walsh, kon daar geen verandering in brengen.

Er werd de gehele avond door het publiek steeds vriendelijk geapplaudisseerd en uitbundig gereageerd op het inzetten van al die klassiekers, maar we hadden toch de indruk dat het vooral te maken heeft met het respect voor deze artiest die ons al zoveel schitterende momenten heeft geschonken. Misschien werd er wat teveel van verwacht, maar wat ondergetekende betreft, was het concert van Stephen Stills in de AB verre van om in te lijsten en te koesteren. Het had zijn momenten maar de teleurstelling kreeg duidelijk de bovenhand. Volgende keer toch maar weer de twee heren Crosby & Nash meenemen op tour? En waarom dan ook niet meteen een uitnodiging sturen naar die legendarische Canadees?

Organisatie: Live Nation


Bon Iver

Justin Vernon vs Bon Iver: te onthouden

Geschreven door

Met als bagage amper één plaat gaat Bon Iver op tournee. Een heel sobere, naakte en integere plaat. Benieuwd hoe Bon Iver of beter gezegd Justin Vernon deze op een podium zou brengen.

Vernon treedt echter met een heuse groep op waardoor de songs meer aangekleed zijn en een breder klanktapijt worden aangemeten, ze zijn ook heviger en uitzinniger dan op het album. Grote sterkte is nu juist dat deze formidabele songs hun integriteit met deze live aanpak geenszins verliezen. Ervaar het eerder als een meerwaarde dan een gebrek. Wat op het podium nog meer uitstraalt is die hemelse stem van Vernon die, in combinatie met zijn verfijnd gitaarspel, voor een mooie spanning zorgt. Ook de groep van Vernon past perfect in het plaatje, zalvend en smeulend de ene moment, gecontroleerd uitfreakend de andere keer, en alles steeds in dienst van Vernon’s knappe songs. Maar het ultieme kippenvelmoment is toch dat waar Vernon moederziel alleen het innig mooie “Stacks” akoestisch brengt, ijselijk stil is het in de zaal.

Bon Iver , een nieuwe naam. Absoluut te onthouden.

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Coldplay

Coldplay: wereldband van formaat

Geschreven door

Coldplay: de status van een wereldband kregen ze sinds de vorige cd ‘X&Y’(2005) en hun ‘Twisted Logic Tour’. Het Britse kwartet ,onder de tandem Martin (zang/gitaar/piano) en Champion (zang/drums) bevestigde in het voorjaar met de cd ‘Viva la Vida or Death and all his friends’ hun talentrijk songschrijverschap en live reputatie. Ze boeiden bijna twee uur lang met een warme, puur oprechte aanstekelijke set, waarbij er van sterallures geen sprake was. Een zelfverzekerde band die halsreikend mag uitkijken naar een stadionoptreden. Praktisch al de songs van het recente album kwamen aan bod, die ze combineerden met de hitgevoeligheid van de drie vorige cd’s.
Van deze enthousiaste, dynamische band droop het spelplezier af: Chris Martin wisselde van piano en gitaar, holde als een bezetene over het podium en palmde moeiteloos het publiek in. Kijk, in de jaren ’80 hadden we Simple Minds en U2, in de jaren ’90 Live en nu is er …Coldplay, een wereldband met een keiharde livereputatie.

Coldplay opende met een klassieke Tsaikovski intro op hun “Life In technicolor”, waarop ze verschenen achter een wazig gordijn. Ze speelden meteen vier ijzersterke, afwisselende songs op rij: “Violet hill”, “Clocks”, “In my place”en “Speed of sound”. Het sfeerlicht op de reuzengrote ballonnen aan de nok gaven de nummers een extra dimensie. “Cemeteries of London”, “Chinese sleep chant” en “ 42 “ hadden een meer gewaagd, avontuurlijk rockend karakter, wat de gevarieerde aanpak onderstreepte van deze rasmuzikanten. Het sfeervolle “Fixx You” klonk strakker naar het eind; het refrein werd door ruim 15000 kelen luidkees meegezongen. Een ‘Saturday night fever’ podium, dicht bij het publiek, kwam uit de grond op “God put a smile upon your face”, die ze omdoopten tot een grootse discostamper, en er een medley aan breiden met “Talk”. Het ingetogen “The hardest part” vatte Martin solo aan op piano, ondersteund door de zachte backing vocals van drummer Champion. Eens te meer werd duidelijk wat een belangvolle rol hij neemt in de band.
De huidige single “Viva la Vida” was samen met het broeierige “Lost” het ‘cachet’ van de avond. Buiten categorie! Minutenlang hoorden we de ‘Oohoohs’ galmen door het Sportpaleis. Even leek het erop dat dit de set beëindigde, maar plots floepte een wit licht aan toen de band hoog in het stadion enkele akoestische nummers bracht: een op gitaren en mondharmonica gedragen “The scientist” en het door Champion gezongen “Death will never conquer”, die refereerde aan een folky Billy Bragg. Eenvoud aan Coldplay!
Tijdens de korte pauze bonkten de dancebeats van “Viva la Vida” door de boxen, wat de aanzet was naar een snedige finalereeks: een uptempo klinkende “Politik” op piano, een U2/The Edge neigende “Lovers In Japan”, met prachtprojecties op het scherm en papieren vlindertjes dwarrelend op het publiek. En tenslotte besloot, na ruim anderhalf uur, het opbouwende “Death and all his friends” de avond. Coldplay trakteerde voor dit laatste optreden van hun tour op een flinke toegift: het sferische rockende “Glass of water”, een nieuwe sterke song samen met Albert Hammond Jr op gitaar. Opnieuw een bewijs dat Coldplay de kunst van mooie melodieuze popsongs schrijven onder de knie heeft. Een krachtiger “Yellow” en een rustig “The escapist” sloten definitief het prachtig uitgekiende concert af.

De fundamentele kracht van acht jaar Coldplay resulteerde in een subliem, overtuigend concert dito show, zonder weg te zakken in een moeras van voorspelbaarheid.

Minder was Albert Hammond Jr als support . Niet dat de band slecht speelde, maar het ontbreekt hen net aan goede songs schrijven, waarbij het duidelijk was dat Hammond Jr het beter houdt bij het retrorockende The Strokes.

Organisatie: Live Nation

Bon Iver

De herfstige eucharistieviering van Bon Iver:

Geschreven door

Bon Iver - ’For Emma, Forever Ago’: prachtplaat, een immense schoonheid; een nieuw songschrijvertalent is opgestaan onder Justin Vernon, die de plaat opnam na 3 maand totale afzondering in een hut in de bossen, Noordwesten van Wisconsin. Meeslepende en intieme songs van een pakkende weemoed; waren de songs op plaat soms spaarzaam begeleid, dan werd elke song live stevig uitgediept: een intense songopbouw, een broeierige spanning, een repetitief ritme, aanzwellende partijen, een vleugje experiment en galmende noise, wat we te horen kregen op uitgesponnen versies van “Creature fear”, “Lump sun” en “the wolves (act I and II)”, waarbij we aangemoedigd het refrein “What have been lost” telkens zachtjes meezongen.
Maar met z’n band bracht hij ook enkele nummers (opener “Flume” en de singles “Skinny love” en “For Emma”) in een elegante, uiterst sobere begeleiding, bepaald door bakken melancholie en een Gregorgiaans aandoende stemmenpracht (z’n hemels, hoge zang en de warme zang van tweede vocalist Mickey Coyne).
Twee nieuwe songs stelden ze voor: het krachtiger klinkende “Blood bank” en het weerbarstige “Baby’s”, die een dwarrelend pianoriedeltje en een onverwachtse breaks meekreeg. “B side” werkte aanstekelijk op de dansspieren door de dreunende, repeterende beat; het gitaargetokkel, de toetsen en de stemmen waaiden er over heen. Tweede gitarist Mickey kreeg de kans z’n eigen zangtalent te laten horen op Graham Nash’s “Simple man”; een pianotune en Vernon’s dwarsfluit droegen het nummer. Bloedmooi besloot Vernon solo met een prachtversie van “Stacks”, een song over het gevoel dat een persoon heeft na de eerste keer dronkenschap …
Sfeer creëren was de opdracht waar hij met z’n band en verve in slaagde. Het gitaargetokkel, de dobro, de zachte drumslagen, de klankkleur van de toetsen en de meerstemmige zang. Het was immens stil in de Bota; iedereen liet zich meeslepen in dit apart geluid. Wat een spanningsboog verwezenlijkte hij tussen band en publiek, wat deed denken aan Dave Eugene Edward’s Wovenhand.
We zagen een charmante band met een vriendelijke uitstraling, die aangenaam kon grappen en op relaxte wijze hun songs speelde, wat de nodige ontlading gaf. De herfstige vrijdagavond eucharistieviering kreeg een schitterende apotheose, want Bon Iver en Bowerbirds gingen samen voor een intieme acapella/gospel!
Vernon, - talentrijk artiest - , Bon Iver, - grootse band -, zorgden samen voor een tijdloos optreden!

Het Amerikaanse trio Bowerbirds, genoemd naar de gelijknamige Australische vogel, speelde folky americana en hield het midden tussen een Band Of Horses, Mountain Goats en South San Gabriel, met een ‘60’s referentie . Hun materiaal klonk sfeervol, rustig en innemend, waarbij hun songs eenvoudig omlijst werden door een akoestische gitaar, viool, accordeon en een minimale drum, die soms acapella uitdeinden. Net als bij Bon Iver, was er sprake van een dankbaar, aandachtig luisterpubliek, dat in de ban was van deze dromerige, herfstige muziek. Een charismatische band, die hun plaat ‘Hymns for a dark horse’ live onderstreepte.

Organisatie: Botanique, Brussel

Steve Wynn

‘Steve Wynn goes classic’

Geschreven door

Paisley Underground legende Steve Wynn doet het de jongste tijd met zowat iedereen. In het drinkebroersproject Danny & Dusty vergezelt hij de flamboyante Dan Stuart (Green on Red), met Paco Loco (Australian Blonde) vormt hij het vooralsnog onbekende Smack Dab, en met Scott McCaughey (The Minus Five) en Peter Buck (R.E.M.) deelt hij een levenslange obsessie voor baseball wat eerder dit jaar resulteerde in de eerste muzikale worp van The Baseball Project. Waar en met wie Wynn ook lijkt te vertoeven, keer op keer leiden zijn avonturen tot tijdloze nummers. Voor zijn recentste opus ‘Crossing Dragon Bridge’ ruilde Wynn zijn vertrouwde New Yorkse flat in voor een kamertje nabij de studio van Walkabouts-opperhoofd Chris Eckman in het Sloveense Ljubljana, om ter plekke een dozijn nieuwe nummers uit zijn mouw te schudden. Eckman vertrok vervolgens met de akoestische opnames richting Praag alwaar strijkers en occasioneel zelfs een vrouwenkoor werden toegevoegd, en ziedaar, Wynn’s meest introverte en melancholische album in jaren was geboren. Hoe dat alles live moest klinken ging ondergetekende graag persoonlijk verifiëren in de AB tijdens zijn enige Belgische passage deze herfst.

Als betrof het een geroutineerde maestro stelde Wynn bij aanvang van het optreden en met gepaste trots zijn Dragon Bridge Orchestra voor aan een amper half volgelopen AB Club. Naast vaste levensgezellin Linda Pitmon op drums maken verder ook Chris Eckman, orgelvirtuoos Chris Cacavas (Green on Red), bassist Eric Van Loo (Blue Guitars) en de illustere Braziliaans-Italiaanse violist Rodrigo D'Erasmo de dienst uit in dit gelegenheidsensemble. Met een kleine knipoog naar Queen werd de set geopend met “Slovenian Rhapsody I”, op de voet gevolgd door “Bring the Magic”, de eerste single “Manhattan Fault Line” en “God Doesn’t Like it”, allen uit het nieuwe album. De sfeer zat er van meet af aan in door het speelplezier dat vooral Wynn en D'Erasmo uitstraalden tijdens hun wat ongewone doch zeer begeesterende gitaar-viool duels. Eckman van zijn kant, die eerder op de avond het voorprogramma had verzorgd, lijkt de introverte tegenpool van de immer guitige Wynn en koos duidelijk voor een eerder serene rol op de achtergrond. Voorafgaand aan het oudje “Here on Earth as Well” kroop Wynn heel even in de huid van een opjuttende gospelpredikant en liet enkele enthousiaste toehoorders naar hartelust hallelujah’s scanderen. Op deze manier leidde hij het uitgelaten publiek naar onuitgegeven symfonische uitvoeringen van het Byrds-achtige “Tears Won’t Help” uit zijn solo-debuut ‘Kerosine Man’ (’90) en het meeslepende “The Deep End”, het onbetwiste hoogtepunt uit Wynn’s vorig solo album ‘...Tick…Tick…Tick’ (’06).
Op D'Erasmo na mocht het voltallige Dragon Bridge Orchestra even rusten tijdens “Punching Holes in the Sky”, een bloedmooi staaltje melancholie over de vergankelijkheid van de mens die zo leek weggeplukt uit de Nick Drake catalogus. Eckman & co mochten vervolgens terug aantreden tijdens een cover versie van “She Came”, oorspronkelijk van de (althans in onze contreien) illustere Sloveense singer-songwriter Tomas Pengov, op de voet gevolgd door het dronkemanslied “Wait Until You Get to Know Me”. De talrijke dertigers en veertigers onder het publiek werden tegen het eind van de set op hun wenken bediend toen Wynn een aantal onvermijdelijke Dream Syndicate klassiekers boven haalde. Het onverslijtbare “That’s What You Always Say” (’82) kreeg een speels vioolarrangement aangemeten dat wondermooi contrasteerde met Wynn’s jachtige gitaarspel. Tegen het einde van “The Medicine Show” (’84) waande het publiek zich heel even het zesde lid van de Dragon Bridge Orchestra en improviseerde ter plekke een eigen acapella versie van dit nummer. Wynn & co besloten de set zoals die begonnen was; alle bandleden verzamelden vooraan het podium op één rij voor een acoustische versie van “Slovenian Rhapsody II”.

Wie het luidst een verzoeknummer richting podium kon schreeuwen werd tijdens de bisronde prompt op zijn wenken bediend. Deze maal viel de eer te beurt aan een beklijvende uitvoering van “Silence is Your Only Friend” uit Wynn’s vierde solo album ‘Melting in the Dark’ (’96) en een mooi opbouwende versie van de Dream Syndicate evergreen “Boston”. Een strak en opzwepend “Amphetamine”, gedragen door Wynn’s simpele levenswijsheid ‘I’m gonna live until the day I die’, vormde de slotsom van ‘s mans zoveelste triomfantelijke halte langs het Vlaamse clubcircuit. Na goed een kwarteeuw blinkt Steve Wynn dus nog steeds uit door zijn aanstekelijk enthousiasme en muzikaal vakmanschap, voorwaar een zeldzame combinatie in het vaak duffe en ééntonige singer-songwriter landschap.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

American Music Club

Een staalkaart uit het ruime oeuvre van American Music Club

Geschreven door

Parkeerproblemen zorgden ervoor dat het voorprogramma zijn laatste noten bracht toen wijzelf de Handelsbeurs betraden. Veel valt er door ons dus niet te vertellen over het optreden van het Nederlandse Blaudzun, behalve dan dat de enkelingen die we na afloop spraken een tevreden indruk overhielden aan hetgeen zij meteen als de ontdekking van de maand bestempelden. Op de eerste dag van de maand is zulks uiteraard nogal relatief, maar diezelfde enkelingen durfden ons op basis van hun kennismaking garanderen dat we in de nabije toekomst nog wel zullen horen van de groep rond Johannes Sigmond. Op 29 oktober concerteert Blaudzun samen met Swell in de Ancienne Belgique, bij deze beschouwen we dit dus meteen als onze tip van de maand…

In tijden van economische malaise is het niet verwonderlijk dat de mensenmassa de beurzen mijdt, maar het verraste ons desondanks wel dat de Handelsbeurs zo’n schaars publiek (hooguit 200 toeschouwers) mocht ontvangen voor de herenigde American Music Club. Niet enkel de beurscrisis treft blaam, de magere opkomst zal ook wel te maken hebben met het feit dat Mark Eitzel dit jaar al voor de derde keer met zijn bende in een Belgische concertzaal opduikt. Deze keer verschilde de bezetting echter dankzij het toevoegen van Jonathan Heine (gitarist) en Dana Schechter (bassiste, ook bekend als spil van Bee and Flower) aan de vertrouwde namen (gitarist Vudi en drummer Steve Didelot). Heine bewees zijn meerwaarde o.a. door al spelende een spectaculaire koprol uit te voeren, Schechter door zich met haar beheerste basspel naadloos te integreren in de subtiele sound die haar mannelijke collega’s uit hun instrumenten toverden.


Het gebrek aan publiek betekende echter niet dat er ingeboet werd aan sfeer, temeer daar de organisatoren perfect inspeelden op het thema van de avond door de zaal in te richten als een stijl- en sfeervolle club. Voor het podium konden een 50-tal gelukkigen comfortabel plaatsnemen aan lage tafeltjes (met kaarsverlichting!), de latere vogels konden rechtstaand hun drankje koel houden dankzij enkele tafeltjes op elleboog-hoogte. Men waande zich waarlijk in ‘a real American music club’, één waarin het heel aardig toeven was. Applaus dus voor diegenen die het interieur zodanig ingericht hadden dat het iets oudere publiek in comfortabele omstandigheden kon genieten van het optreden. Ook Mark Eitzel voelde zich duidelijk in zijn sas en stak van wal met “What holds the world together” (uit ‘San Fransisco’). Na het eerste van de vele welverdiende applausjes bracht men met
“What Godzilla said to God…” een nummer uit ‘Mercury’, het donkere album uit 1993 dat de grootste bron van de avond bleek, want later in de set volgden ook nog “If I had a hammer”, “Gratitude walks” en “Apology for an accident”. Ook uit het recentste album (‘The Golden Age’) werden er uiteindelijk vier songs gebracht (waaronder een bloedmooi “All my love”). Gewoontegetrouw excelleerde de frontman even veel tijdens de bindteksten als tijdens de liedjes zelf. Naast een flard van “Dreamer” (een cover van het door hem verguisde Supertramp) trakteerde hij ons op allerhande anekdotes. ‘s Mans liederlijke levensstijl (die hij ondertussen in grote mate afgezworen zou hebben) heeft zijn verhalentrommel aardig gevuld en hij liet niet na om het publiek te plezieren met een selectie eruit die o.a. duidelijk maakte dat hij gefascineerd is door vensters (ieder zijn afwijking, nietwaar?). Muzikaal viel er verder nog genot te puren van “Fearless”, “Animal Pen”, “Nightwatchman” en “Another morning”.
De reguliere set werd na een uur afgesloten door “Windows on the world”. Tijdens de inleiding van dit laatste nummer ondernam sympathieke Mark – net als enkele maanden terug - opnieuw een poging om de verbijstering te beschrijven die hij ervaarde toen hij een half jaar voor 9/11 op een decadent feestje bovenaan de WTC-torens belandde. Zijn soms cynische commentaren vonden bijval bij het tolerante publiek, iets wat naar verluidt niet overal het geval zou zijn.
Als bis-nummers noteerden we het heerlijke “Home” (uit comeback-plaat ‘Love Songs for patriots’) en “Outside this bar” (dat ons gisteren duidelijk maakte waar de Counting Crows de mosterd gehaald hebben voor het niet-zeurderige gedeelte van hun repertoire). Op het einde bracht Eitzel solo-versies van “The sleeping Beauty” en “Jesus’ Hands”.

Zijn soms krakkemikkige gitaarspel stoorde niet, vooral omdat je een aimabel man met tonnen zelfkennis, -kritiek en -relativering weinig verwijten kan. Zeker niet na een simpelweg geslaagd optreden dat variatie bracht door een staalkaart te puren uit het ruime oeuvre (maar liefst zeven verschillende albums kwamen aan bod!). Crisis of niet, we blijven eeuwig sparen want American Music Club zal altijd op onze bijdrage voor het lidmaatschap kunnen rekenen.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

Killing Joke

Killing Joke’s hellevuur nog lang niet uitgedoofd

Geschreven door

Elk einde is een nieuw begin. Althans, dat moeten Jaz Coleman en zijn voormalige Killing Joke kornuiten vorig jaar hebben gedacht op de begrafenis van hun voormalige bassist Paul Raven. Samen met Raven werden ook een aantal oude vetes en meningsverschillen begraven, bandleden van het eerste uur Paul Ferguson (drums) en Martin ‘Youth’ Glover (bas) keerden terug op het oude nest, en als eerbetoon aan hun overleden makker werden prompt plannen gesmeed voor een tournee voorafgaand aan de komende release van een nieuw album in de originele bezetting. Een korte concertenreeks brengt de groep langs 11 steden tussen Tokyo en New York, waarbij telkens twee avonden op rij volgens de ‘rewind’ formule een aantal van hun klassieke albums integraal worden voorgesteld. Het is dan ook een understatement van formaat om te stellen dat ondergetekende reeds maanden reikhalzend uit keek naar de set die afgelopen maandagavond op het programma stond. Want geef toe, wanneer op één avond met ‘Killing Joke’ en ‘What’s THIS for…!’ twee van de meest invloedrijke albums van de 80ies de revue passeren lijkt een muzikaal orgasme wel heel erg dichtbij…

Frontman Jaz Coleman, die alleen al omwille van de overdadige eyeliner veel weg had van een vogelverschrikker aan de vooravond van Halloween, begroette het AB publiek met samengevouwen handen en slenterde voorzichtig naar het midden van het podium als betrof het een hogepriester die het altaar opzocht voor wat een occulte misviering zou worden. Dit alles bleek de perfecte inleider voor de resonerende synth intro van “Requiem” (niet toevallig ‘hymne aan de doden’), het onnavolgbare openingsnummer uit het titelloze Killing Joke debuut (’80). Wat volgde uit dit album was bepaald indrukwekkend te noemen: de opzwepende drive van het onverslijtbare “Wardance”, de pastorale pracht van “Tomorrow’s World”, de strakke punkwave van “Complications” en de unieke crossover van metal en funk in het instrumentale “Bloodsport”. Gitarist Kevin ‘Geordie’ Walker kneep deze vroege 80ies klassiekers nonchalant en met schijnbaar gemak uit zijn gitaar, maar het was vooral de bezwerende grafstem van Coleman die de originele Killing Joke sound hier deed herleven.
Op het tweede Killing Joke album ‘What’s THIS for…!’ (’81) bleek het groepsgeluid duidelijk geëvolueerd; de ritmesectie kreeg een meer prominente rol toebedeeld waardoor de nummers meer repetitief en hypnotiserend gingen klinken. Live bleek nog maar eens waarom het meer dan stevige openingsnummer “The Fall of Because” door velen als prototype voor de latere industrial metal van Ministry, Prong, NIN en Young Gods wordt beschouwd. De tribal drums van Ferguson op “Tension” en “Follow the Leaders” drongen diep door tot in de onderbuik, maar even goed werd het publiek meegesleurd door Coleman’s panische angstgevoelens tijdens “Unspeakable”, “Madness” en “Who Told You How?”. Als een vreemde eend in de bijt tussen al dit klassiek werk uit de begindagen van Killing Joke dook plots “Eighties” in de setlist op, een bijna vergeten single uit ’84 wiens memorabele baslijn een decennium later ongevraagd werd geleend door Nirvana’s Chris Novoselic voor de wereldhit “Come as You Are”.
Persoonlijke favoriet “The Wait” uit het debuutalbum werd opgespaard tot het einde van Killing Joke’s flashback naar de gitzwarte 80ies, dus moest de groep echt wel een verdomd goede reden vinden om aan hun meer dan geslaagde eerste avond in de AB een bisronde te breien. De plots heel serene Coleman vond die ook tijdens wat hij aankondigde als ‘a moment of reflection’ voor zijn overleden vriend en strijdmakker Paul Raven. Verrassing alom toen de groep vervolgens als eerbetoon aan Raven “Love Like Blood” inzette, zondermeer hun grootste commercieel succes dat de laatste jaren echter angstvallig uit de setlist werd geweerd. Met “Change”, het meer dan puike B-kantje van “Requiem”, goten Coleman & co het laatste restje olie op het muzikale hellevuur.

Het nog lichtjes nasmeulend publiek werd bij het aanfloepen van de zaallichten ietwat brutaal uit Killing Joke’s teletijdsmachine geslingerd. Door hun onvoorwaardelijke inzet tijdens dit soort trips tussen hemel en hel dwingt de groep na drie decennia duidelijk nog steeds tonnen respect af. We kunnen onze nieuwsgierigheid naar het volgende muzikale inferno op het komende album nauwelijks in bedwang houden!

Organisatie: AB, Brussel

Pagina 367 van 389