logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

giaa_kavka_zapp...
Kreator - 25/03...

Two Door Cinema Club

Gameshow

Geschreven door

Het Noord-Ierse Two door cinema club is aan de derde cd toe . De band rond Alex Trimble viel een handvol jaar terug op met hun debuut ‘Tourist history’, een debuut,  met een rits aangename , sprankelende , spring-in-t-veld nummers , speelse , leuke , frisse, twinkelende pop. In die tussentijd verscheen ‘Beacon’ , volwassener en breder van aanpak . Minder bubbels, maar onderstreept nog steeds een jeugdige aanpak.
‘Gameshow’ is een veelzijdige , dynamische plaat . Toegegeven, de onschuld van vroeger is verdwenen , maar de lekkere groove in de songstructuur blijft. Funk , dance en psychedelica krijgen ruimte. Prince kijkt om hun  schouder heen op “Bad decisions”, “Surgery” en “Je viens de la” . De titelsong rockt als vanouds. We gaan lekker door de plaat heen .
Ze zijn opnieuw geslaagd in een overtuigend album . Singles als vroeger zijn er niet echt, maar optimisme en levenslust is het voornaamste credo van de band . Mooi toch …

Hydrogen Sea

In dreams

Geschreven door

Hydrogen Sea is het geesteskind van het koppel Birsen Uçar en Pieterjan Seaux. Ze zorgen voor een ‘soort zee van waterstof’ , dreampop , die ergens Beach house, Portishead en Cocteau Twins doet opborrelen . Mysterie , angst en dromen zijn verpakt in donkere melancho liedjes om in te verdwalen . Een nachtelijke trip. In hun Brusselse woonkamer brengt hij de geluiden van keys , drumcomputer , gitaar en piano bij elkaar , en zij zingt met haar zalvende , zachtaardige en indringende vocals er overheen. Pieterjan was al te horen als muzikant bij Selah Sue , Reena riot en Mojastar.
Ze worden bijgestaan door producer Joris Caluwaerts , gekend van bij STUFF. en Magnus. We krijgen wonderlijke , sferische nummers . “Beating heart” en “Worry” zijn hier de meest dansbare ‘moonlight’ nummers .
Dit is hemelse, intimistische , prikkelende, groovy synthpop. Puik werk .

Valerie June

The order of time

Geschreven door
De Amerikaanse sing/songwritster Valerie June , uit Tennessee afkomstig, is niet aan haar proefstuk toe . Ze heeft al een handvol platen uit . Een push forward was er zelfs van Dan Auerbach van Black Keys . Haar broeierig materiaal is puur , oprecht , sober, rauw en klinkt variërend door de diverse stijlelementen die doorsijpelen in haar rootsamericana . Ook op het nieuwe ‘The order of time’ kloppen folk , soul , desert, blues aan, in afwisseling met georkestreerde pop. De sound vindt zijn weg in haar whisky gedrenkte , neuzelige stem. “Shake down” en “If and” zijn sterkhouders .

‘The order of time’ is een zoveelste mooie plaat. Ze weet ons telkens in te palmen met haar charmerende pop. Duim omhoog voor wat deze dame presteert!

Leffingeleuren 2017 – van 8 t/m 10 september 2017 – Overzicht van het driedaags festival – Voor muzikale avonturiers!

Geschreven door

Leffingeleuren, het gezellige festival rond de kerk met zijn ‘Busker Street’ waar beginnende muzikanten hun ding mogen doen, zijn exotische eetkraampjes, zijn kleurrijke fanfares en andere straatacts werd dit jaar wat geplaagd door het grillige weer. Wat dan toch weer een positief effect had : de groepen binnen (het betalende gedeelte) konden rekenen op een ruimere belangstelling. Het werd een erg eclectisch festival waar de parels zomaar voor het rapen lagen. Hier het relaas van drie dagen speuren...

dag 1 – vrijdag 8 september 2017
Eerste groep in een lange, slopende reeks was Tin Fingers, een gloednieuwe synth/indiepopband uit Antwerpen. Een valse start, wat mij betreft, want wat klonk dit aalglad en werden risico’s angstvallig vermeden. Geeuwend moest ik denken aan wat Kurt Overbergh van de AB zich onlangs liet ontvallen in ‘De Standaard’ : “Pop en rock zijn klef en saai geworden”.

De volgende band in de rij zal de AB gegarandeerd nooit halen maar dit klonk allesbehalve klef en saai. Nieuw kon je Heavy Lids (New Orleans) bezwaarlijk noemen maar hun gerecycleerde garagepunk klonk gemeen en melodieus tegelijkertijd en greep me onverbiddelijk bij de kladden. Moeders mooiste was hij niet, John Henry Kelly, maar hij had wel een heerlijk geteisterde punkstrot die mooi contrasteerde met het wat lieflijkere klinkende orgel van Marie Dufran. Verder bestond deze guerrilla nog uit drummer Benny Divine en de voortdurend met dodelijk priemende ogen nors de zaal in turende bassist, Jayme (Kill-All) Kalal. Het vijfde lid was blijkbaar onderweg gesneuveld. Niet dat we daar wat van merkten want deze korte, explosieve set hield erg lang stand als het beste van Leffingeleuren 2017.

Het nieuwste project van Dieter ‘Von Deurne’ Sermeus, Dieter & The Politics, kan in ieder geval niet klagen over een tekort aan aandacht in de pers. Na Orange Black en The Go Find zou dit het hardste zijn wat hij ooit op de mensheid losliet. Het optreden in de Kapel begon met een scheurende Dinosaur Jr. solo maar daarna was het weer business as usual : doodbrave popsongs die me, op een paar keer na, niet wisten te raken. Minstens één keer kwamen ze in de buurt van The War On Drugs, helaas is dat nu ook niet bepaald mijn favoriete band. Toen de snor en kompanen het plots nodig achtten een dosis zinloos geweld op ons los te laten verliet ik het pand om J. Bernardt (Balthazar) te zien.

J. Bernardt - En dat was even de ogen uitwrijven. Een baardige mens in een lange regenjas dartelde als een geschifte vleermuis over het podium terwijl pompende kermisdreunen voor de soundtrack zorgden. Even leek er een kentering te komen toen de man zijn gitaar ter hand nam. Maar die werd al gauw onverrichter zake terug gezet zodat ik luid kermend de zaal ontvluchtte en me nestelde in mijn meest vertrouwde habitat, het café.

Waar het trouwens goed toeven was met The Murlocs (Melbourne), de band rond Ambrose Kenny-Smith die ook actief is bij het populaire King Gizzard & The Lizard Wizard. Vijf jongens in overalls vergrepen zich aan psychedelische rock zoals die klonk eind jaren ‘60 begin jaren ‘70. ‘Cosmonauts, down to earth’, dacht ik. Veel gitaren, af en toe een orgel of een mondharmonica en verdomd knappe songs. Jammer genoeg zat er nog wat kaf tussen het koren. Was dat eruit geschift, sprak ik hier ongetwijfeld over het absolute hoogtepunt van Leffingeleuren.

dag 2 - zaterdag 9 september 2017
Zaterdag mocht de winnaar van Verse Vis 2017, het Gents SHHT de feestelijkheden openen in de zaal. Ze hadden een frontman bij zoals ik ze graag heb : boordevol energie, onvoorspelbaar en zelfs gevaarlijk. Alle hoeken van het podium verkennend, bengelend aan de hoog opgehangen boxen of een paar schoenen de zaal in kieperend, altijd viel er wat te beleven met die kerel. Over de muziek was ik heel wat minder enthousiast. Twee spuuglelijke synths en een gitaar die hard zijn best deed om even lelijk te klinken. Hoekig en doelloos, Evil Superstars op een verkeerd toerental.

Met band klonk singer-songwriter Christopher Paul Stelling (Brooklyn) een stuk folkier wat me goed uitkwam want ik vind zijn zang net iets te gestileerd.  Maar met viool, staande bas en een vrouwelijke tweede stem kon dit me toch verwarmen. Sympathieke bende ook die op eigen vraag later nog eens speelde op het gratis te bekijken Busker Street podium!

De vorige plaat van Waxahatchee (Philadelphia), ‘Ivy Tripp’, liet ik geregeld onder de naald schuiven maar bij hun laatste worp, ‘Out in the storm’, had ik toch wat twijfels. Het geluid klonk wat voller, een lichte ruk richting commercie? Dat is misschien wat kort door de bocht maar ook live wist Waxahatchee niet volledig te overtuigen. Dat Katie Clutchfield talent en een neus voor fijne songs heeft, laten we daar niet aan twijfelen. Maar wie een groep meebrengt moet er ook voor zorgen dat die de songs naar een hoger niveau tillen. Nochtans zag het er mooi uit, de vrouwelijke muzikanten in een stemmig zwart mannenpak stokstijf en ver uit elkaar staand. Maar wanneer er verder zo goed als niets gebeurt kan vijftig minuten wel heel lang duren.

Ik zag het Gentse Mind Rays reeds verschillende keren aan het werk en telkens ik ze mijn pad opnieuw kruisten , bleken ze een stuk gegroeid te zijn. En het was deze keer in het café niet anders. De ongecontroleerde chaos heeft definitief plaats moeten ruimen voor compacte songs. Het blijven kopstoten vol punk, noise en andere herrie maar de contouren zijn tastbaarder geworden. Ook de zanger heeft de waanzin beter onder controle terwijl de gitaar al eens voor een wat helderder moment mag zorgen. Het uitbrengen van een eerste LP, ‘Nerve endings’, heeft hen duidelijk deugd gedaan.

Togo All Stars moesten ter elfder ure afzeggen en zo werden de B Boys van het café naar de zaal verplaatst en die was misschien wel een maatje te groot voor dit nog prille trio uit Brooklyn. Korte, catchy punksongs, helemaal in de stijl van stadsgenoten Parquet Courts. Zeker knap gedaan met een zich uitslovende zanger, Brendon Avalos (tevens op bas), maar te weinig echt knappe songs in de haard om de grote zaal op te warmen.

Wat ik daarna zag in de kapel was op zijn zachtst gezegd een geval apart. The Babe Rainbow uit het Australische Byron Bay bleken vier gebronsde strandjongens die zich vergrepen aan het meest foute wat de sixties ons hebben opgeleverd. Zij zochten nu eens niet hun inspiratie in correcte verzamelaars als ‘Nuggets’,  maar vonden de mosterd bij lang vergeelde, zeemzoete hitjes uit het gouden decennium. Ze klonken een beetje zoals de Allah-Las maar zo mogelijk nog braver. En toch hoefde ik hier mijn sabel niet voor boven te halen. Integendeel, langzaam maar zeker nestelde deze muziek zich als een virus in mijn borstkas en omstrengelde het mijn hart om nooit meer te lossen. Hun songs waren bijzonder knap in elkaar geknutseld en deden soms denken aan Donovan. Een paar keer mocht het funky klinken terwijl ze ook nog eens Blondie’s “Heart of glass” coverden. Afgesloten werd er met het hemelse “Evolution 1964” waarvan ik durfde te zweren dat het een cover was, toch niet dus. The Babe Rainbow heeft één plaat uit die geproduced werd door King Gizzard opperhoofd, Stu McKenzie en was één van dé revelaties op dit festival.

Het contrast met de volgende groep in de kapel kon niet groter zijn. Idles (uit Bristol) schoot meteen op orkaankracht, alles en iedereen verpletterend uit de startblokken en zwakte op geen enkel moment af. Sleaford Mods achterna gezeten door een schuimbekkend punkkwartet lijkt me de meest adequate omschrijving. Zanger Joe Talbot was een bijzonder nijdig mannetje die in zijn teksten naar goede Britse traditie tegen zoveel mogelijk schenen stampte. Hun plaat heet niet voor niets ‘Brutalism’ dachten de vier achter Talbot om vervolgens als een stampede door de songs te razen. Het werd een heftig feestje met de nodige crowdsurfers terwijl ook de gitarist, vrolijk verder spelend, het plafond van de kapel verkende. Idles waren zonder meer het hoogtepunt van Leffingeleuren 2017.

We waren gewaarschuwd : zo wild als destijds met The Hunches was Hart Gledhill al een tijdje niet meer. De tijden dat hij alle muren van de Pit’s op stuiterde zijn definitief voorbij. Maar hier was meer aan de hand. De heer Gledhill verscheen namelijk stomdronken op het podium en dat waarschijnlijk ook nog in combinatie met andere en beter te vermijden substanties. Hij kon zich nauwelijks staande houden en zijn gewauwel was nauwelijks verstaanbaar. Gelukkig was de rest van zijn band, Sleeping Beauties (uit Portland, Oregon met o.a. leden van The Hospitals en Eat Skull) bloednuchter en speelden ze alsof er niets aan de hand was. Al bij al bleef de schade beperkt en kregen we een set beklijvende powerrock met glam –en punkinvloeden. Er kon zelfs nog een bisnummer af waarbij Gledhill een microfoon aan het publiek gaf. Het werd een chaotische versie van “Wild thing” met plotseling verrassend sterke vocals.

dag 3 - zondag 10 september 2017
Waar het op zaterdag tamelijk lang duurde voor we iets memorabels mochten meemaken, was het op zondag meteen raak. Daar zorgde Aubrie Sellers uit Nashville met haar allereerste optreden in Europa voor. Zij is de dochter van songwriter Jason Sellers en countryster Lee-Ann Womack. Country werd haar met de paplepel ingegoten en ze zong samen met haar moeder zelfs een nummer op de laatste plaat van Ralph Stanley. Zelf noemt ze het garage country wat ze brengt. Country, dat zeker maar garage? In ieder geval had ze een rits sterke nummers meegebracht die ze met veel gevoel zong. Met zijn drieën zorgden ze voor een heerlijk rafelige en forse sound waarbij de gruizige gitaar een even belangrijke rol kreeg als la Sellers zelf. Zo werd mijn kater meteen doorgespoeld.

Daarna volgde wat mij betreft de mooiste verrassing van het hele festival met het Brusselse Phoenician Drive. Fenicië bevond zich waar we nu Libanon en Syrië situeren en dus mag ik veronderstellen dat de muzikale invloeden van Phoenician Drive uit die streken afkomstig zijn hoewel ikzelf eerder aan de Maghreb landen dacht. In ieder geval werden die niet-Westerse elementen perfect geïntegreerd met een stevige, gitaar georiënteerde rocksound. Naast de twee gitaren bestond de bezetting verder uit bas, drums, darbuka (percussie instrument) en de oud van Gaspard Vanardois. De meestal volledig instrumentale composities waren gelaagd en klonken de ene keer ophitsend, een andere keer bezwerend en hypnotiserend. In zekere zin te vergelijken met Godspeed! You Black Emperor. Maar elke vergelijking loopt uiteraard mank bij een dergelijk unieke sound van een unieke groep die ik beslist nog eens terug wil zien.

Dylan LeBlanc (Shreveport, Louisiana) had een uitgebreide groep (piano, gitaar, bas, drums, cello) meegebracht terwijl hij zelf ook nog gitaar speelde. Mooie, zij het iets te gestroomlijnde, americana waarin zijn hoge stem  voor wat meerwaarde zorgde. Soms kwamen ze in de buurt van The Eagles en dat is iets wat ik liever niet zag gebeuren.

Charles Francis Mootheart II is heus wel een begrip in de Bay Area garage noise revival. Actief in groepen als Charlie and The Moonhearts, Fuzz, GOGGS en prominent aanwezig op platen van Ty Segall en Mikal Cronin. Je zou voor minder iets verwachten. De man kwam er zijn nieuwste groep waarvan de naam gemakkelijkheidshalve bestaat uit zijn eigen initialen, CFM, voorstellen. Nu wist ik wel dat ik wat hardrock mocht verwachten – zijn andere groepen kreunen er ook onder – maar in juiste dosis en van de juiste soort kan ik daar best vrede mee nemen. Maar zover geraakte Mootheart nooit. Oorverdovend en bulkend van het gitaargeweld maar verder dan een goeie aanzet of een vette riff (eentje leek zelfs gepikt van Zappa maar dat zal wel puur toeval zijn, zover zie ik het hem niet zoeken) kwam CFM niet. Een zware teleurstelling en ik twijfel eraan of het ooit wel iets wordt met Charles Mootheart II.

Dan maar een brok Courtney Marie Andrews (Phoenix, Arizona) in de zaal mee gepikt. Op plaat laat ze spontaan het glazuur op mijn tanden barsten, te voorspelbaar en te poppy. Ze maakte ooit een EP samen met onze eigenste Milow. Niet dat je het meteen in die richting moet zoeken, maar toch. Op het podium echter, geruggensteund door een competente groep, vielen haar countrygetinte songs veel beter mee. Al zal haar niet onappetijtelijke verschijning daar ook wel voor iets tussen gezeten hebben, volgens een kenner.

Het hoogtepunt van de dag viel evenwel in het café te beleven. Daar zorgde singer-songwriter Joan Shelley (Louisville, Kentucky) voor. Samen met de uitmuntende gitarist Nathan Salsburg bracht ze breekbare songs, stuk voor stuk pareltjes. Naar eigen zeggen beïnvloed door June Tabor en soms hoorde je wel Angelsaksische sporen maar toch klinkt ze vooral als zichzelf. Verfijnd en –Low hoog in het vaandel dragend– zo stil mogelijk, alhoewel ze even werd opgeschrikt toen geweldenaar Robert Jon zijn set begon in de zaal en een kleine aardbeving veroorzaakte.

Cosmonauts uit Los Angeles wordt stilaan een vertrouwde naam op onze podia. Dit was reeds de vierde keer dat ik ze zag. Een jaar geleden vielen ze wat tegen op Rock Zerkegem maar hier was het weer lekker deinen op hun aanstekelijke psychrock. Niets nieuws onder de zon maar soms hoeft dat ook niet.

Toch voortijdig afgehaakt maar dat was enkel om Spirit Family Reunion (Brooklyn) te zien. Dit was de laatste dag van een vier weken durende Europese tour en ze hadden op de middag al een set gespeeld in Eindhoven. Dat had vooral bij zanger-gitarist Nick Panken zijn sporen nagelaten. Toch haalden de vijf nog eens alles uit de kast, vooral washboardspeler Stephen Weinheimer had echt zin in een wild feestje. Vrolijk makende country en Appalachenfolk, niets meer maar zeker ook niets minder.

Hoe kan men een festival beter afsluiten dan met een flinke portie nostalgie? Want dat beloofde het nieuwe project van Arno, Tjens Matic, ons toch met enkel nummers van TC Matic en Tjens Couter. De set werd fors geopend met “Being somebody” waarbij Arno een handmixer hanteerde, de reden waarom is me nog steeds niet duidelijk. De toon was meteen gezet. Met drummer Laurens Smagghe, bassist Mirko Banovic en gitarist Bruno Fevery (bekend van Arsenal, de man ook die de plaats van Josh Homme innam bij Garcia Plays Kyuss) in de rug was het duidelijk de bedoeling om ons weg te blazen. Enorme power! Soms werkte dat, andere keren verminkte het enkel de songs zoals bij “Gimme what I need”, waar alle subtiliteit verloren ging. Mooie songkeuze met onder meer “Que pasa” en “Middle class and blue eyes” hoewel ik er als Tjens Couter fan wat berooid vanaf kwam. Slechts twee nummers : een sterk “The Milkcow” en het eerder vermelde “Gimme what I need”. Eén nieuw nummer ook, het futiele “Middle finger”, waarin Arno zich voor de gelegenheid aan wat stoner waagde of was het een idee van Bruno Fevery? Meer dan genietbaar concertje maar wie TC Matic of (vooral) Tjens Couter wilde horen zoals die vroeger klonken bleef toch wat op zijn honger zitten.

Vooraf had ik wat bedenkingen bij de affiche maar achteraf kan ik enkel tevreden terugblikken. Met revelaties als Heavy Lids, The Murlocs, The Babe Rainbow, Idles, Sleeping Beauties, Aubrie Sellers en Phoenician Drive plus een Joan Shelley die haar waarde kwam bevestigen was dit opnieuw een meer dan geslaagde editie.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge   

Kvelertak

Kvelertak - Er is geen ontkomen aan

Geschreven door

Kvelertak mag op de recente tournee het voorprogramma spelen van Metallica. Het toont hoe hard de band uit Noorwegen gesteund wordt door management en platenfirma. Voor Kvelertak moet het nu dus gaan gebeuren. Ze konden reeds spelen op de grote festivals (Hellfest, Graspop, Roskilde, …) en ze gingen sinds de release van hun derde album ook al mee op tournee met Anthrax en Slayer. Metallica, zowat het summum inzake supports, speelt op deze tournee grofweg slechts om de andere dag. Op de ‘vrije’ dagen doet Kvelertak gewoon nog wat extra shows. En dat nemen ze heel serieus, met een set van anderhalf uur en een eigen voorprogramma dat meereist. In die opstelling deden ze De Kreun in Kortrijk aan en doen ze straks nog o.m. de Aéronef in Lille aan.

Het bevriende en eveneens Noorse Timeworn staat nog helemaal aan het begin van zijn carrière, maar heeft enkele leden die reeds het klappen van de zweep kennen. Hun muziek is vaag verwant aan die van Kvelertak. Ze brengen een mix van black en death, maar dan zonder de blastbeats en met meer een rock ’n roll-drumgeluid en tempo. Dat tempo ligt bij Timeworn toch een stuk lager dan bij Kvelertal en de invloeden komen meer uit de  hardcore dan uit de punkrock. De band deed in De Kreun helaas weinig moeite om het publiek mee te krijgen. De eerste helft van de set stonden de muzikanten naar hun snaren te staren.  Nadien kwamen ze voorzichtig een beetje los en pas bij het aankondigen van het laatste nummer richtte de zanger zich tot het publiek. Het publiek, met opvallend veel Fransen, reageerde beleefd voor de uitstekend gebrachte muziek, maar veel zieltjes zal Timeworn niet gewonnen hebben in Kortrijk.

Het contrast met de veroveringsdrang van Kvelertak kon niet groter zijn. Het enthousiasme en het speelplezier dropen er van af. Zanger Erlend Hjelvik was in het verleden misschien geen grote publieksmenner, maar in Kortrijk liet hij de zaal uit zijn hand eten. Hij verraste met de correcte uitspraak van ‘Kortrijk’ (beter alvast dan het ‘good evening Belgium’ dat de meeste buitenlandse bands hanteren), vertelde dat hij in De Kreun meer plezier beleefde dan bij Metallica, deelde zijn bier met de fans, aaide een paar enthousiaste meisjes over de bol en veegde eigenhandig het zweet van voorhoofden op de eerste rij. De intussen vaste showelementen van Kvelertak ontbraken niet: opkomen met het uilenmasker met lichtgevende oogjes en bij afsluiten zwaaien met de Kvelertak-vlag. Fysiek staat ‘Hjelvik’ scherper dan ooit, merkten enkele dames op.

Ook de rest van de band zocht de hele tijd contact met het publiek, ondanks de heel strakke set. Met drie gitaristen in de band, kan Kvelertak zich weinig fouten of improvisaties veroorloven. Tot de laatste noot van de bisnummers kon je deze Noren op geen enkele valse noot betrappen. De geluidsmix zat eveneens helemaal goed, zodat je elke nuance in de mix van black, death en punk goed kon onderscheiden. Het enthousiasme van de band werkte aanstekelijk, zodat het headbangen al  snel oversloeg in een bescheiden moshpit.
De set was grofweg opgedeeld in een aanloop met ouder werk als “Apenbarung”, “Bruane Brenn” en “Mjod”, dan de hoofdmoot met songs uit het recente Nattesferd (“1985”, “Berserkr”, “Bronsegud,” “Nattesferd” en “Nekrodamus”) en dan een vurige finale met “Svartmesse”, “Offernatt” en het luid meegezongen “Blodtorst”, waarbij Hjelvik het op een crowdsurfen zette.
De bisronde werd ingezet met “Heksebrann”, een langzaam opgebouwd duel tussen de gitaristen Vidar Landa en Maciek Ofstad dat haast onmerkbaar overgenomen werd door de derde gitarist, Bjarte Lund Rolland. Het is op zo’n momenten dat opvalt hoe bepalend bv. Rolland, zoals steeds gitaar spelend zonder plectrum, is voor het groepsgeluid. Daarna volgden nog “Manelyst” en afgesloten werd met “Kvelertak” (de song dan).

Kvelertak is klaar voor de grote zalen en podia. Er is geen ontkomen aan.

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

From North

From North

Geschreven door

Het segment van de viking- en folk-metal is nog lang niet leeggebloed. De nieuwe Zweedse band From North bracht zopas zijn debuut uit met een brok potige folkmetal die Amon Amarth kruist met Eluveite. Niet echt vernieuwend, maar wel een deel degelijk album.
Bij Amon Amarth haalt From North de power en de snelheid, bij Eluveite de voorliefde voor middeleeuwse instrumenten. De muzikanten van From North hebben allen hun sporen verdiend in andere bands, van black tot death en hardcore, en die leveren vakwerk. De band heeft een eigen tekstschrijver die niet meespeelt in deze groep, maar die wel in een andere folkmetalband speelt. De Noorse mythologie biedt zoals wel vaker ook hier een onuitputtelijke bron van inspiratie, maar wordt hier nog aangevuld met wat vage viking-elementen. De middeleeuwse instrumenten lijken uit een synthesizer te komen, maar blijven wel mooi het gehele nummer vooraan in de geluidsmix. Ze dienen niet, zoals anders wel vaak gebeurt, enkel om de intro op te fleuren.
De zwakste schakel in de ketting van From North is zanger Håkan Johnsson, niet te verwarren met Håkan Jonsson van Watain. Johnsson’s hese en rauwe stem doet denken aan een verkouden versie van Erlend Hjelvik van Kvelertak. Er zit net iets te veel korrel op zijn schreeuw en grunt om mooi in te blenden bij de voor de rest voortreffelijke folkmetal. Gelukkig zijn er heel wat backings van de andere muzikanten.
Een aantal tracks hebben bovenop de duidelijke folk- en metalelementen nog een snuif hard- en metalcore meegekregen. De composities zijn fris en goed gevonden, toch voor een genre waarin heel wat bands zichzelf en elkaar telkens lijken te kopiëren.
Gezien de achtergrond van de bandleden (heel divers, maar niets met folkmetal) blijf je als luisteraar achter met een dubbel gevoel. Het album overtuigt niet helemaal. Ondanks heel wat sterke punten (vooral muzikaal-technisch) ontbreekt er wat vuur en passie, wat overtuigingskracht, een beetje waarachtigheid. Is dit de lang en in stilzwijgen gekoesterde folkmetal-droom van een paar enthousiaste  Zweden? Of is het eerder een halfwarm project van ‘we zullen dit genre eens proberen en zien of we daar wat geld mee kunnen verdienen’?
In het eerste geval wil je de band nog wat krediet geven omdat ze op dit debuut hun weg nog aan het zoeken zijn. Dan willen we gerust helpen om dit vuurtje nog wat op te stoken. In het tweede geval moet de band hopen dat ze de kans krijgen op tournee te gaan en een tweede album te maken dat dan wel vlot kan overtuigen. Zo niet zal dit vuurtje gauw geblust zijn.
Voorlopig geven we deze Zweden nog het voordeel van de twijfel en scoren ze extra bonuspunten met hun frisse insteek. Laten we hopen dat From North ons niet teleurstelt. 

 

RabbitPunch

First Round Knock Out EP

Geschreven door

De Amerikaanse punkrockband RabbitPunch heeft zopas een leuke EP uitgebracht. De band uit Saint Louis (Missouri)  graaft met ‘First Round Knock Out’ naar de wortels van de Amerikaanse punkrock en komt zo uit bij the Stooges, the Groovy Ghoulies, de Ramones, Weezer en het vroege werk van Green Day.
Het viertal brengt zijn punkrock met veel slome energie en nam weinig moeite om te sleutelen aan de opnames. Als je dan toch een debuut opneemt in dit genre, levert die aanpak toch al enkele bonuspunten op en veel sympathie.
De onderwerpen zijn typisch voor de vroege Amerikaanse punkrock.  “Comic Books Kept Me Up All Night” had inzake songtitel zo op een album van de Ramones kunnen staan. Muzikaal zitten ze er ook dicht tegenaan, al hebben ze niet het strakke en supersnelle van Johnny en zijn makkers. “Admin Leaving Fun“ gaat over een saaie dag op het werk die toch nog goed komt en zit qua tekst in de richting van The Offspring, maar muzikaal is er minder power.
“Nightcrawler” gaat op een nonchalante uptempo-manier over X-man uit de Marvel-strips en het afsluitende “When Jimmy Talks“ gaat over een gewone sterveling die over goddelijke krachten blijkt te bezitten. Allemaal heel Amerikaanse onderwerpen.
Het blijft leuk en gezellig op deze debuut-EP, maar met een beetje meer punch en wat meer peper in deze punkrock zou RabbitPunch pas echt kunnen aanslaan.
https://www.facebook.com/rabbitpunchSTL/

 

Dead Cross

Dead Cross

Geschreven door

Dead Cross werd uit de grond gestampt door gitarist Mike Crain en bassist Justin Pearson (beiden uit de band Retox) en drummer Dave Lombardo (ex-Slayer). Eerst zou Gabe Serbian zingen, maar na de eerste opnames verliet die echter de band. Dus belde Lombardo zijn Fantômas-maatje Mike Patton (van Faith No More). De nieuwe band is vooral een ode aan de agressieve en meestal ook politiek geladen hardcorepunk van de jaren ’80 en ‘90. Producer Ross Robinson (Sepultura, Slipknot, …) mocht de opnames in goede banen leiden.

Mike Patton mocht alle reeds opgenomen tracks opnieuw inzingen en herschreef ook de teksten. Maar voorts hield hij zich, net als de rest van de band, strak aan het uitgangspunt dat de opnames een ode moesten zijn aan de hardcorepunk van vroeger. Zonder dat concept waren ze vast uitgekomen bij experimentele jazz-noise, zoals bij Fantômas. Het is als vanouds smullen van Patton-songtitels als Grave Slave, Gag Reflex, Obedience School, Church Of The Motherfuckers en Divine Filth. Ook de teksten zijn Patton op z’n best.

Patton’s stem en teksten vormen op dit debuutalbum absoluut een meerwaarde. Samen met Lombardo geeft hij een soms onderhuidse, dan weer klare metal-injectie aan het groepsgeluid. Daardoor klinkt de hardcore-basis van de Retox-tandem Crain-Pearson net iets harder, sneller, brutaler en agressiever. Een beetje Black Flag die thrash-metal omarmt.

De Bauhaus-cover “Bela Lugosi’s Dead” is halfweg het album een welgekomen rustpunt. Een pauze die je als luisteraar nog eens doet beseffen hoe hard en diep deze muziek gaat. De heel directe en brutale muziek is een perfecte afspiegeling van Patton’s teksten, met heel wat onderhuidse en openlijke kritiek op het Amerika van president Trump.

Dat aspect kwam nog eens extra naar voor bij één van de eerste optredens van de band, waar Dead Cross samen met voormalig Dead Kennedy’s-zanger Jello Biafra de klassieker “Nazi Punks Fuck Off” omvormde tot “Nazi Trumps Fuck Off”.

De teksten op dit debuutalbum drijven vooral op woede en ontgoocheling over de politiek in Amerika. Als Trump dit kan oproepen bij getalenteerde artiesten als Lombardo en Patton, moeten we hem toch ergens voor bedanken.  

 

Machine Mass

Machine Mass plays Hendrix

Geschreven door

U moet weten dat deze schijf is terechtgekomen bij een doorwinterde Hendrix fan. En Hendrix fans krijgen altijd een beetje argwaan wanneer een resem covers op hen af komt, want nobody plays Hendrix better than Hendrix. Oneindig veel bands hebben de songs van het gitaargenie gecoverd, maar de magie van het origineel werd nooit geëvenaard.
Bij het gezelschap Machine Mass lijkt echter de term ‘interpretaties’ beter gekozen, en dat is meteen het goede nieuws. Dit zijn allemaal volledig instrumentale versies van onsterfelijke songs waarin Hendrix een fusion jazz vestje krijgt aangemeten, en dit van een bende rasmuzikanten die hun virtuositeit per lopende meter tentoon spreiden zonder daarbij de groove uit het oog te verliezen. De gitaar is natuurlijk één van de hoofdrolspelers, het zou er nog aan mankeren. Die klinkt iets minder rauw maar net als bij de meester zijn de snaren constant op zoek naar avontuur. Machine Mass voegt er nog een extra kleurenpalet aan toe, er wordt uitvoerig aandacht besteed aan een omlijsting van glooiende keyboards, heerlijk roffelende drums en sexy basritmes. Dit is immers een fusion-jazzband, de klasse en virtuositeit gaan perfect samen met tonnen speelplezier en spontaniteit.
Het respect voor Zijne Gitaarhoogheid is alom tegenwoordig en er wordt uitvoerig gejamd, geëxperimenteerd en op ontdekkingstocht gegaan in diens avontuurlijke songs. Opener “Third Stone From The Sun” is een heerlijke lange opener waarin Machine Mass met de geest van Hendrix het heelal in trekt. “Little Wing” is voorzien van een zwevende intro die de song de eerste twee minuten quasi onherkenbaar maakt, maar wel uiterst boeiend. Ook “Voodoo Chile” wordt op een interessante manier binnenstebuiten gekeerd, de anders zo herkenbare intro heeft hier een soort beatbox injectie gekregen. Gedurfd, zeer zeker, maar het werkt, en hetgeen er na komt is een heerlijke jam die de spirit van Hendrix alle eer aan doet. Ook “You Got Me Floatin’” begeeft zich richting space langsheen een boeiende jamweg.
Het siert de uitmuntende muzikanten van Machine Mass dat zij niet gepoogd hebben om Hendrix klakkeloos te imiteren. Zij hebben daarentegen een reeks briljante songs van Jimi ter hand genomen en zijn daarmee op een hoogst creatieve manier aan de slag gegaan zonder ook maar één seconde het genie van de grootmeester onrecht aan te doen.

Crites

Crites

Geschreven door

Crites is een Gentse band die reeds twee jaar aan de weg timmert en die zopas zijn debuutalbum uitbracht bij Starman Records. Ze brengen lekker weerbarstige noiserock die soms hint naar postrock. Zet ze dus niet in het rijtje van andere recente noisebands als Brutus en Cocaine Piss.  Wel komt Crites in de buurt van ‘oudere’, meer Amerikaanse noisebands als Jezus Lizard, Shellac, Slint, Cop Shot Cop en Girls vs Boys.
De twaalf tracks op dit titelloze debuut hebben een ingehouden energie die maar weinig bands in de vingers hebben. Het gaspedaal wordt nooit helemaal ingedrukt. Als een fietsband die superhard staat, maar toch niet openknalt.
Mimi Van de Put legt bij momenten flink wat soul in haar bas-spel en biedt de luisteraar een houvast doorheen de songs als de twee gitaristen en soms ook de drummer buiten de lijntjes gaan kleuren. Mick Windey is geen natuurtalent als zanger, wat in dit genre doorgaans als sympathiek wordt ervaren, maar hij slaagt er wel in om je mee te nemen in zijn wereld van kleine en grote problemen en overpeinzingen.
Uitblinkers op dit debuutalbum zijn opener (en single) “Walls”, het van noise en fuzz naar pop uitwijkende “Run” en “Moan”, dat Pixies-ambities heeft. Op het einde van “Unrelenting” lijkt de fietsband het toch te gaan begeven, maar dan komt er weer een smoothe baslijn die meer zalft dan slaat. “Haywire” heeft een paar knappe, bijna psychedelische gitaarrifjes en afsluiter “Gimmick” zoekt nog een laatste keer de grenzen op van de ingehouden energie, om uit te monden in slotakkoord dat het midden houdt tussen Frank Zappa en Sonic Youth.
Een intrigerend debuut van een veelbelovende band.
www.vi.be/crites

Pagina 426 van 964