logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Search results (15418 Items)

Holy Fuck

Holy Fuck – de kracht van geluid

Geschreven door

Brian Borcherdt en Graham Walsh begonnen met Holy Fuck als een grap, maar het stadium van onbevangenheid zijn ze inmiddels ver voorbij. En een geluk maar, want die gasten zijn goed op weg om het te maken, waar en hoe dan ook…
Als was het uit het niets… Zo komen die gasten het podium op. Nou dan denk je, ze gaan er wat op los improviseren. Niets is echter minder waar… Een goed verstaander en muzikant heeft reeds gauw door dat niet alles toeval is in hun 2 uur durende set. Holy Fuck maakt gestructureerde improvisaties in een 4 koppig tellende band… de aanwezigheid van drums en bas geven extra glans aan de show …

De band maakt naast reguliere muziekinstrumenten zoals basgitaar en drumstel ook gebruik van andere geluidsbronnen, zoals een 35mm filmsynchronizer (tijdens de intro gebruikt – never seen – prachtige effecten!) en speelgoedkeyboards om elektronisch klinkende effecten te creëren zonder gebruik te maken van laptops of geavanceerde digitale hulpmiddelen.
2 draaitafels, nou ja van draaien daar was geen sprake van, en je hebt er als toeschouwer ook het raden naar met welke toestellen die twee constant bezig zijn. Er wordt ook steeds van fiches gewisseld, ingeplugd, van machines gewisseld, etc… en dit aan een tempo om van achterover te vallen.
Holy Fuck creëert hierdoor een vrij uniek geluid, kan ook niet anders met die onorthodoxe instrumentale aanpak.
Het viertal, afkomstig uit Toronto, canada, gebruikte heel wat materiaal uit hun derde langspeler, Latin. Zij schrikken er niet van terug om inderdaad afro- en latin beats als onderbouw te gebruiken. Na verloop van tijd maakt die, ongemerkt, plaats voor allerlei andere klanken, die je eigenlijk niet of nauwelijks kunt definiëren. Kinderspeelgoedpianootjes, fluiten en vooral de stemmen maken een onwaarschijnlijk geluid vrijwel compleet. (met de nodige delay zorgt dit voor een waw-effect)

Holy Fuck zoekt en vindt steeds de vernieuwing in hun zoektocht naar nieuwe klanken, een eigen sound… Een concert dat zeker bij zal blijven … En De Kreun… ze zijn goed bezig.

Organisatie: Kreun, Kortrijk

Suede

Tweede leven voor Suede dankzij herboren Brett Anderson

Geschreven door

Channel Zero, Pavement, Alice In Chains, Faith No More, Blur, Soundgarden...: wie tegenwoordig zijn geld inzet op reunies van 90ies bands zit gebeiteld voor big business. Of ook het in 2003 ter ziele gegane Suede aan dit rijtje zou worden toegevoegd was aanvankelijk echter weinig duidelijk; afgelopen voorjaar had dit Londens Britpop instituut op uitnodiging van Roger Daltrey weliswaar een one-of gig toegezegd in kader van de Teenage Cancer Trust concerten, maar nadien werd met geen woord meer gerept over een mogelijke reïncarnatie van de groep. De uiterst lovende recensies na hun benefietoptreden in de Royal Albert Hall, de lokroep van de £££ of de smeekbedes van het nog steeds vrij omvangrijke fanlegioen: er waren uiteindelijk toch redenen te over om Suede over de streep te trekken en voorzichtig een tweede leven te beginnen. En ja, zelfs oorspronkelijk gitarist Bernard Butler had openlijk zijn zegen gegeven aan de reünie, maar hij bedankte wel voor de eer om zijn voormalige makkers te vergezellen op een kleinschalige Europese tour die afgelopen maandag ook het majestueuze en tot aan de nok gevulde Koninklijk Circus aandeed.

Het was best wel een vreemd tafereel toen het optreden in het pikdonker werd afgetrapt door de integrale versie van The Sex Pistols’ “Bodies” door de boxen te laten knallen. De levende lijven van Suede kregen we pas te zien toen “This Hollywood Life” en “She” de set strak openden. Geen evidente songkeuzes om een vooraf aangekondigd ‘best of’ feestje mee te openen, maar de groep stond wel van meet af aan op scherp waardoor wij in ieder geval reeds beseften dat dit een mooie avond ging worden. Op de immer slanke frontman Brett Anderson lijken de jaren allerminst vat te hebben. Na een weinig indrukwekkend solo avontuur oogt de Londenaar als herboren tussen zijn vroegere makkers: als een hyperkinetische crooner met overslaande falsetstem zweeft hij over het podium, reeds tijdens het tweede nummer gaat het zwarte hemd spontaan open, en regelmatig zoekt de adonis fysiek contact met het publiek op de eerste rijen waarbij misplaatste karaoke taferelen gelukkig uitblijven.
Vanaf “Trash” kregen Anderson & co het publiek onvoorwaardelijk mee, en dat zou zo blijven voor de rest van de avond. De groep kan dan ook terugvallen op een rijkgevulde catalogus waarbij nadrukkelijk werd geciteerd uit de eerste drie albums ‘Suede’ (’93), ‘Dog Man Star’ (’94) en ‘Coming Up’ (’96). Tussen de snedige post-glamrock van “Animal Nitrate”, “We Are The Pigs” en het briljante B-kantje “Killing Of A Flash Boy” zaten gelukkig ook de nodige rustpunten ingebouwd. Een desolaat “By The Sea” werd door Neil Codling op keyboards ingeleid, en even later mocht hij uit datzelfde instrument ook strijkers te voorschijn toveren toen “Everything Will Flow” het Koninklijk Circus onderdompelde in een bloedrode lichtgloed. Dit waren de zeldzame momenten dat een groepslid uit de schaduw kon treden van Anderson, die als een androgeen bastaardkind van Bowie en Morrissey verder alle aandacht opeiste.
Een zinderende finale werd ingezet met een ferm ingekorte versie van “The Asphalt World”. Ironisch genoeg blijkt dit pastoraal hoogtepunt uit Suede’s opus magnum ‘Dog Man Star’ aan de basis te liggen van het hanengevecht dat oorspronkelijk gitarist Bernard Butler uiteindelijk zijn kop zou kosten in de groep; Butler’s originele versie van het nummer besloeg maar liefst 25 minuten, inclusief een acht minuten durende gitaarsolo, maar nadat hij zijn C4 had gekregen bleven daar nog ‘amper’ 10 minuten van over. Met de eindmeet in zicht werd vervolgens in een strak tempo het indrukwekkend best-of rijtje “So Young”, “Metal Mickey”, persoonlijk kippenvelmoment “The Wild Ones”, “New Generation” en “The Beautiful Ones” afgewerkt.

Suede staat niet bepaald bekend als groot liefhebber van encores, maar toch hadden de heren nog een klein desertje voorzien. “Saturday Night” werd door Brett Anderson een beetje onhandig aangebracht als een probaat middel tegen de maandagavondblues, en dat was het eigenlijk ook wel een beetje. De ranke frontman nam uitgebreid de tijd voor een ereronde langs de eerste rijen en liet een zelfvoldaan publiek achter. En ja, nu de tweede postpunk storm in hun thuisland stilaan begint te verstillen lijkt de tijd misschien wel rijp voor Suede om zich opnieuw in de strijd te gooien om de eretitel ‘Britain’s Best Band’. Vanavond hadden ze alvast geen concurrentie, of om een aantal adjectieven uit Jools Holland’s befaamde woordenschat te gebruiken: ‘Suede were marvellous, magnificent and simply stunning!’

Organisatie: Live Nation

Various Artists

Terminal City Ricochet – Original Soundtrack

Geschreven door

Naast ‘The Widower’ wordt nog een tweede cultfilm waarin Jello Biafra de hoofdrol speelt opnieuw uitgebracht. ‘Terminal City Ricochet’ is een Canadese speelfilm uit 1990 van de hand van regisseur Zale Dalen. Deze prent bevat nogal wat zwarte humor en toont aan hoe de verschillende media gebruikt worden om de samenleving te controleren en te brainstormen.  De vergelijking met vandaag is zeker niet uit de lucht gegrepen en Jello Biafra riep zelf al in het verleden op om de film te tonen net voor een nieuwe verkiezing plaatsvindt.
Over naar de soundtrack en die is voor iedere Biafra- en punkrock-fan om van te smullen. We horen Biafra onder meer samen met D.O.A, Nomeansno en Keith Leblanc. Een ander opvallend nummer is van de hand van Gerry Hannah, voormalig bassist van the Subhumans. De man nam een volledig album op in de Canadese gevangenis (waarin hij verzeild was geraakt nadat hij een fabriek opblies waar nucleaire wapens werden vervaardigd).
In ieder geval is dit plaatje een must have voor de doorgewinterde punker!

Various Artists

The Widower – Soundtrack

Geschreven door

Punkicoon en politiek activist Jello Biaffra is niet de eerste de beste. Zijn muzikaal CV is er eentje om u tegen te zeggen, hij liet zich ook politiek niet onbetuigd  en was daarenboven te zien in verschillende films. Een van z’n meest besproken projecten was ongetwijfeld ‘The Widower’. Het betreft hier een surrealistische, donkere en romantische komedie van  regisseur Marcus Roger uit 1999 met in de hoofdrollen Jello Biaffra himself, D.O.A.’s ‘Shithead’ Keithley, Ani Kyd en Nardwuar The Human Serviette.
De DVD (of VHS)-versie van deze  prent was tot op heden nergens te koop en de film werd buiten de Canadese landgrenzen eigenlijk nergens vertoond. Met deze release komt daar eindelijk verandering in.
Samen met de DVD wordt tevens de nooit uitgebrachte soundtrack op de wereld losgelaten. Op de cd vinden we onder meer muziek van D.O.A. , The Smugglers, Chris Houston, The Astronuts, The Loudmouths, Coal, Three Goblins, Chris Houston, Huevos Rancheros en Elvis Love Child…
Heel wat onbekende bands dus die zorgen voor een zeer afwisselend schijfje met ondermeer ska, blues, rockabilly, funk, surf, country en punkrock waarbij het ene nummer ons al meer wist te bekoren dan het andere.
Goed om te weten is dat deze schijf niet afzonderlijk te koop is maar enkel meegeleverd wordt met de film of als digitale download te verkrijgen is.

Kings of Leon

Come Around Sundown

Geschreven door

Het zal Kings Of Leon worst wezen dat critici hun nieuwste cd maar niets vinden, het ding is het logische vervolg op ‘Only By The Night’ en zal bijgevolg wel een paar miljoen keer over de toonbank gaan. De groep heeft duidelijk gekozen voor de weg van de epische stadionrock met galmende gitaren en een sound die naar de sterren tracht te reiken. Het is hun volste recht, maar ‘t is niet echt ons ding. Wij blijven zweren bij de charmante rommeligheid van ‘Youth and young manhood’ van de tijd waarin het beloftevolle nieuwe bandje nog binnengehaald werd als de nieuwe Strokes. Ook ‘Aha shake heartbreak’ en ‘Because of the times’ hebben nog steeds een vooraanstaand plaatsje in onze collectie, maar vanaf ‘Only by the night’ begonnen wij al enige argwaan te krijgen, ook al stonden er een paar regelrechte krakers op dat album.
Aanvankelijk werkt de weidse aanpak wel. De band schiet verrassend goed uit de startblokken met het heerlijk voorbijglijdende “The end”. De inmiddels vertrouwd rollende single “Radioactive” trekt geslaagd de lijn door gevolgd door het frisse “Pyro”, het tintelende “Mary” en het verdomd pakkende en meeslepende “The face”. Maar dan is het definitief gedaan en vervalt de plaat in vervelend geneuzel en ondermaatse songs ontdaan van elke vorm van inspiratie of emotie. Als u niet wil in slaap vallen mag u de tracks 6 tot 12 overslaan en meteen skippen naar nummertje 13 “No Money”, een lekker stampende rocker die zo op één van de eerste twee platen had gekund.
6 op 13, da’s een buis wat ons betreft maar de charts zullen daar wel anders over oordelen.
Aan u de keuze.

As Enemies Arise

Chapters

Geschreven door

As Enemies Arise is een metalcoreformatie uit het Nederlandse Brabant. Sinds 2008 timmeren ze keihard aan de -weg en speelden ze meer dan 100 shows in Europa. Vorig jaar debuteerden ze met de fel gesmaakte EP ‘Show me that Smile’ waarna ze de kans kregen om het voorprogramma te spelen van  acts als Avenged Sevenfold, Architects en Cancer Bats. De verwachtingen voor dit eerste full album waren dan ook enorm hooggespannen in de Nederlandse hardcorewereld.
Ook wij waren benieuwd naar deze eerste langspeler en onze interesse blijkt meer dan terecht!   Vergeet wat ons betreft mega-acts als het Australische Parkway Drive of het Amerikaanse Bring Me The Horizon want deze mannen zijn minstens even goed! 
Met “Closure” gooit men er meteen flink de beuk en horen we een snoeiharde combinatie van metal en hardcore met daarbij een hoofdrol voor  de intense stem van zanger Gideon. Het zet de toon voor de rest van de plaat waar As Enemies Arise een straffe portie metalcore in een modern en melodieus jasje serveert. Opvallend daarbij is de combinatie van logge riffs, tempoversnellingen, razend snelle drums en heerlijke  beat- en breakdowns. Enkele van onze hoogtepunten zijn het emotionele “Chapters”,  het complexe en gelaagde “The Acceptance” en “Piracy” dat voorzien is van een bijzondere intro.
‘Chapter’ is een verdomd straffe plaat waar Nederland best trots op mag zijn. Het album wordt officieel in januari 2011 gereleased waarna As Enemies Arise een uitgebreide tournee doorheen Europa plant.

Hindi Zahra

Handmade

Geschreven door

Vóór we de plaat beluisterden, zagen we de beloftevolle dame Hindi Zahra al aan het werk. Zij is afkomstig van het Berbervolk in Marokko. Ze heeft Toeareg-roots en een thuis in Parijs.
Muzikaal brengt ze een soort fusion van pop, folk, soul, blues, jazz en flamenco met Oosterse, Marokkaanse rootsmuziek, zonder echt wereldmuziek te zijn. In sommige nummers is er de link met de
hypnotiserende retro/world/woestijnblues van Tinariwen, ook Toeareg nomaden, maar dan van Mali.
Op haar manier verwerkt en vermengt ze de diverse stijlen en invloeden in een soort ‘handmade’ freefolk. Tja, niet voor niks noemt haar debuut ‘Handmade’, dat ze eigenhandig produceerde en dat verscheen op het Blue Note label.
In een artikel lazen we dat de albumtitel refereert naar l'artisanat, de handarbeid die Marokkanen verrichtten voor zowat alles dat zij produceren; ze wees hierbij naar de schatkist aan juwelen rond haar arm. Ook muzikanten zijn handarbeiders, wat verklaart dat de titel van de plaat vollédig van haar hand is.
Ze brengt een internationaal, toegankelijk, rijk geluid, van akoestische gitaren en handclaps, warme zalvende toetsen en bezwerende percussie, onder haar zachte, warme stem; als voorbeelden zangeressen haalt ze als Amália Rodrigues, Oum Kalthoum, Dimi Mint Abba, Django Rheunhardt en Yma Sumac aan, maar we durven ook denken aan Billie Holiday meets Patti Smith, Natacha Atlas en de zusjes Casady van Cocorosie.
“Fascination” en “Imik silik” zijn meeslepende, aanstekelijke heupwiegende poplounge met een exotisch tintje. Een ‘50’s vaudeville stijl haalt ze aan op “At the same time”.
De songs prikkelen door de intens bezwerende, broeierige opbouw en hebben een dromerig karakter. Trippende huppelende ritmes horen we op opener “Beautiful tango”, “Standup” en “Music”. We voelen de blakende zon en het woestijnzand opwaaien in “Kiss & thrills”, “Oursoul” en “Set me free”. Die gitaarslides, de percussie en de ‘70’s psychedelica toetsen geven een opzwepende groove.
Pure klasse van een jonge, talentvolle dame, een grootse dame- in-wording trouwens …

Our Broken Garden

Golden sea

Geschreven door

’Cathedral Denmarkicism’ is alvast een mooie term om de sound te omschrijven van de bevallige Anna Bronsted, die ook deel uitmaakt van het gekende Efterklang.
Solo is ze toe aan een nieuwe plaat vol etherische, sfeervolle, dromerige, breekbare songs die bepaald worden door piano, synths, soundscapes en verder kunnen aangevuld door een traditioneel instrumentarium en een zalvende percussie. Ze klinken als frisse lentebloesems, hemels en donker filmisch. De toevoeging van strijkers, een kinderkoor en de vocale hoogstandjes bieden een meerwaarde aan het materiaal.
De eerste songs “The departure”, “In the lowlands” en “The feral” tekenen de rest van de plaat. Intiemer klinkt op songs als “Share”, “Warriors of love” en “The dark red roses”.
’Golden sea’ klinkt als knetterend haardvuur, charmante en elegante slowcore pop …

Suede

Suede als in de topdagen …

Geschreven door

Remember de nineties …Laat ons niet vergeten dat we in de eerste jaren van de nineties beheerst werden door het fenomeen Britpop. De ‘mania’ van Blur, Oasis blijft helder in het geheugen gegrift. Britse popmuziek was ‘hype’ & ‘hot. The Stone Roses, Radiohead, Manic Street Preachers, PJ Harvey en Garbage …Met een donker randje hadden Toni Halliday’s Curve en Suede onmiskenbaar een bepalende invloed. En op hun beurt lanceerden ze bands als Placebo en Elastica…En Ohja, laat ons de heropleving van de huidige waverock, nu hot topic, niet vergeten …
Suede draaide rond het duo Brett Anderson – Bernard Butler (nota bene in ’94 uit de band gezet!). Naar muziek, pose en uitstraling refereerden ze aan de ‘70’s opwindende poprock, gekruid van glam en wave. T-Rex, Echo & The Bunymen en The Smiths borrelden op en het Briticoon kreeg dan ook terecht de gelijkenis met David Bowie opgezadeld. De ‘Suedemania’ was een feit …
Suede werkte naar een uitgebalanceerde, fijnzinnige sound met orkestraties wat de sfeer geladener maakte in de zin van dramatiek, pathos en (pretentieuze) bombast.
Anderson hief de band op, ondanks de puike comeback cd ‘A new morning’; Vijf cd’s hadden ze in totaal uit, ze debuteerden zeventien jaar terug, en brachten de succesvolle drie-éénheid ‘Suede’, ‘Dog man star’ en ‘Coming up’ uit. De klemtoon kwam vanavond op dit werk. De daaropvolgende vierde ‘Head music’ (de minste!) en het vervolgverhaal ‘A new morning’ kenden de minste respons, en live werd er maar sporadisch uit geput.
The Tears van Anderson werd een misplaatst avontuur (ook al maakte gitarist Bernard Butler, Suede man van het eerste uur, deel uit van de band!).
Tot slot waagde hij zich solo. Hij presenteerde zich als een sing/songwriter die intieme liedjes met klassieke arrangementen van diepgang voorzag. Mooi alvast, een volgende stap in mans oeuvre, maar die het vuur misten van de Suede-nineties …Trouwens, hij was begin het jaar nog te zien met in de Trix, waarbij live de songs een stevige push hadden …
 
Een poos terug was er een éénmalige reünie. De vijf heren vonden elkaar wel en waren vertrokken om Suede opnieuw op te poetsen. Enthousiast, levendig, vurig, uitzinnig, krachtig, explosief, strak, losjes, pathetisch, hartverwarmend, hartbrekend en bij het nekvel grijpend werden woorden op hun plaats. Opvallend veel 90-kids generatie voor het optreden … Waar vroeger al eens sleet zat op de live formule, is de lont ontstoken voor een tweede leven. Anderson en co waren geweldig. Anderson zorgde ervoor dat de band tussen hem en z’n fans ‘close’ was, hij ging en huppelde van de ene naar de andere kant, schudde handjes en maakte verschillende knievallen om de sound elan, kleur en emotie te geven. Pittig, gedreven en gevoelig.

Na de matige set van Spirals, dertien-in-een-dozijn pop, werden we net vóór de gig van Suede opgehitst door “Bodies” van de Sex Pistols, die door de boxen knalde. Op de meeslepende opener “This Hollywood Life” kronkelde Anderson als vanouds rond z’n microstatief, zette allerlei sensuele pasjes en zwaaide met de armen; de lichaamstaal onderhield de band met z’n publiek. En dat was nu nét die gevatte pose en uitstraling die ‘em vroeger deed … en nu nog steeds … Vooraan probeerde men hun idool, hun halfgod te voelen, te ruiken en aan te raken. Qua vocals had hij niks ingeboet. De helder indringende vocals vormden de kapstok, zoals we al eerder hoorden op de Post-Suede projecten.
Een gemotiveerde band, een directe aanpak en een strak tempo dus, die we verder hoorden op “She”, “Trash” en “Filmstar”, die de T-Rex glamrock niet schuwde. Jawel, ze hielden er de vaart in op deze songs en op de classics “Animal nitrate” en “We are the pigs” deden ze hun instrumenten afzien. Halverwege de set hoorden we de fijne subtiliteit van “By the sea”, ingetogen, rustig en pakkend, bepaald door een pianotune. Een glimp naar het latere materiaal was er met “Can’t get enough” en “Everything will flow”, die een intens broeierige draai kregen. Ook de minder gekende “To the birds” en “Killing of a flashboy” ( beiden b-kantjes) waren boeiend.
Stemmingen werden afgewisseld, met de typische Suede kenmerken als weleer, intens opbouwende rock, een gepaste galm en pathos, een overtuigende, gepassioneerde stem en emotionaliteit uitstralen, zonder in bombast te vervallen; “The asphalt world”, “Metal Mickey”, “The wild ones” en “The new generation” volgden.
“Love comes over Brussels” prevelde Anderson, inderdaad, iedereen haalde z’n hartje op het besluitende “The beautiful ones”, waarvan het refrein luidkeels werd meegezongen.
”We don’t usually play encores”, maar met plezier maakten ze een uitzondering tijdens de reünie, het kitscherige, ingetogen “Saturday night” bracht de elementen samenhorigheid,
hart - breken & -verwarmen samen. Het publiek genoot ervan en kon een laatste maal de hand reiken aan hun halfgod van de ‘90s Brett Anderson.

Ok, Suede mocht nog een paar classics spelen hoor, als “The drowners”, “Electricity”, “She’s in fashion” en “Positivity”, maar tevreden keerden we alvast naar huis van een band die hier speelde als in de topdagen, die we op hun hoogtepunt zagen in de Hallen Van Schaarbeek en zagen afsluiten in de AB. Wat een time-out kan opleveren, nietwaar …

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation 

Shantel

Shantel & Bucovina (Club) Orkestar - Shantel – zoek de zeven verschillen!

Geschreven door

Exact elf maanden en één dag nadat Shantel met zijn Bucovina (Club) Orkestar de Brusselse AB letterlijk plat speelde, mochten/wilden we in de Grand Mix in het Noord-Franse Tourcoing nog eens met de Balkangod feesten. En wat bleek? De Disko Partizani-show verschilde haast geen noot van het memorabele Brusselse concert. Dus maar even onze review kopiëren en plakken. En voor de fun staken we er zeven verschillen in. Maar daar moesten we zelf toch wel even naar zoeken. Vindt u ze?
28/10/2009 – AB Brussel
Iedereen die Musiczine bezoekt zal op een of andere manier al Disko Partizani of Bella Ciao al eens door zijn oor voelen lopen hebben. Twee hitjes Balkanmuziek van de hand en het opgefokte brein van de Duitser Shantel die naast zijn eigen platenlabel ook nog een ‘eigen’ amalgaam muzikanten onder de naam Bucovina (Club) Orkestar  in zijn tourbus propt. Wie Shantel live nog nooit aan het werk zag houdt hier beter op met lezen, want zijn gigs zijn amper te beschrijven. Wie de Balkanmuziekguru wél al bezig zag, was woensdag 28 oktober in de AB (of had een reden die enkel overmacht kan geweest zijn) en moet ook niet verder lezen: die weet al dat het één groot feest was.
We zagen Shantel als DJ en Bucovina (Club) Orkestar als band enkele jaren geleden al aan het werk op Dranouter en de man en zijn gezelschap zijn er niet minder psychiatriek op geworden. Onze fotograaf Wim Demortier sleurden we mee voor zijn Balkandoop. Al goed dat we zijn fotokanon hielpen vasthouden, of hij had enkel wat onscherpe beelden geschoten.
Hun passage in de AB kaderde in de voorstelling van hun jongste: Planet Paprika! Hun eerdere debuut 'Disko Partizani' (doorgebroken met de meezingers 'Disko Partizani' en 'Disko Boy') had Europa al bezwangerd met een nieuwe rage: Balkanpopbeat van hoogstdansbaar karaat. De Bucovinaroots  situeren we in Roemenië-Moldavië-Oekraïne en de folklore van heel Oost-(en Zuid-)Europa zit erin vervat.
Laat ons – als je toch verder gelezen hebt – dan maar het vat wodkasuperlatieven aanslaan.  Fiesta, zotte boel, uit de bol swingend, extatisch, uitzinnig, een muzikaal machinegeweer, excentriek en vooral veeeeeeeeel ritme.  De polonaise door de zaal tijdens het laatste nummer Opa Cupa was al een ode aan de Oostblokfestiviteiten.
Met zijn zevenen begonnen ze: twee strijkers,  één trombonist, één trompetter, een accordeonist, een drum en Shantel zelf aan…tja…zang, drum, gitaar, …. In de nieuwe line-up vervoegden ook twee zangeressen het geheel vanaf het vierde nummer.  De kleine, in het wit geklede Shantel  met bruine pet op, was omnipresent, maar van zijn gevolg moest niemand onderdoen. Ze stonden er met heel veel plezier en zin.
Maar Shantel, die stond echt overal. Tot zelfs IN het publiek. Hij troonde zich naar het midden van het opgezweepte publiek  en kreeg zijn fans allemaal op de grond. Shantel speelde de zaal letterlijk plat.
Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest.
Nazdrovie !

Playlist  1. Intro 2. Mahala 3. Macedonia 4. Yahari 5. Da Zna Zora 6. Sandala 7. Disko Partizani 8. Disko Boy 9. Usti 10. Fige 11. Ciganka 12. Bella Ciao 13. Opa Cupa
Bisnummers 14. Bucovina 15. Gadja Dilo 16. Bota 17. Disko Partizani

29/11/2010 –  Grand Mix Tourcoing
Iedereen die Musiczine bezoekt zal op een of andere manier al Disko Partizani of Bella Ciao al eens door zijn oor voelen lopen hebben. Twee hitjes balkanmuziek van de hand en het opgefokte brein van de Duitser Shantel die naast zijn eigen platenlabel ook nog een ‘eigen’ amalgaam muzikanten onder de naam Bucovina (Club) Orkestar  in zijn tourbus propt. Wie Shantel live nog nooit aan het werk zag houdt hier beter op met lezen, want zijn gigs zijn amper te beschrijven. Wie de Balkanmuziekguru wél al bezig zag, was maandag  29 november in de Grand Mix in Tourcoing (of had een reden die enkel overmacht kan geweest zijn) en moet ook niet verder lezen: die weet al dat het één groot feest was.
We zagen Shantel als DJ en Bucovina (Club) Orkestar als band enkele jaren geleden al aan het werk op Dranouter en de man en zijn gezelschap zijn er niet minder psychiatriek op geworden. Onze fotograaf Wim Demortier sleurden we mee voor zijn Balkanvervolg. Al goed dat we zijn fotokanon hielpen vasthouden, of hij had enkel wat onscherpe beelden geschoten.
Hun passage in de Grand Mix werd gekaderd als Disko Partizani-feest (hun debuut met de meezingers 'Disko Partizani' en 'Disko Boy') dat Europa bezwangerd had met een nieuwe rage: Balkanpopbeat van hoogstdansbaar karaat. De Bucovinaroots situeren we in Roemenië-Moldavië-Oekraïne en de folklore van heel Oost-(en Zuid-)Europa zit erin vervat.
Laat ons – als je toch verder gelezen hebt – dan maar het vat wodkasuperlatieven aanslaan.  Fiesta, zotte boel, uit de bol swingend, extatisch, uitzinnig, een muzikaal machinegeweer, excentriek en vooral veeeeeeeeel ritme.  De polonaise door de zaal tijdens na afloop was een ode aan de Oostblokfestiviteiten.
Met zijn achten begonnen ze: twee strijkers,  één trombonist, één trompetter, een accordeonist, een drum, een synthesizer en Shantel zelf aan…tja…zang, drum, gitaar, …. In de nieuwe line-up vervoegden ook twee zangeressen het geheel vanaf het vierde nummer. De kleine, in het wit geklede Shantel met zijn haar compleet recht alsof hij net uit zijn bed kwam, was omnipresent, maar van zijn gevolg moest niemand onderdoen. Ze stonden er met heel veel plezier en zin.
Maar Shantel, die stond echt overal. Tot zelfs IN het publiek. Hij troonde zich naar het midden van het opgezweepte publiek  en kreeg zijn fans allemaal op de grond. Shantel speelde de zaal letterlijk plat.
Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest. Feest.
Nazdrovie !

Playlist  1. Intro 2. Mahala 3. Macedonia 4. Yahari 5. Da Zna Zora 6. Sandala 7. Disko Partizani 8. Disko Boy 9. Usti 10. Fige 11. Ciganka 12. Bella Ciao 13. Opa Cupa
Bisnummers 14. Bucovina 15. Gadja Dilo 16. Bota 17. Disko Partizani 18. Andante Levante

Oplossingen van de zeven verschillen:
1. De datum en de plaats
2. Het was niet meer de Balkandoop van onze fotograaf, maar het Balkanvervolg
3. Het was niet meer de voorstelling van Planet Paprika
4. De polonaise vond dit keer plaats NA het optreden
5. Ze waren met zijn achten, dus één meer dan vorig jaar
6. Shantel had deze keer geen bruine pet op
7. Ze speelden een extra bisnummer (Andante Levante)

Ps: Het voorprogramma in Tourcoing was VaFanFahre, ook een leuk zootje sterke (Vlaamse) muzikanten met een Marokkaans-Belgische zangeres en een iets rustigere en meer Arabische aanpak dan Shantel zelf. Ze ontmoetten Shantel ooit in Praag en dat was voldoende om de Balkanman te overtuigen. In elk geval de perfecte opwarmer in een ondergesneeuwd Tourcoing. Te volgen !

Ps: Shantel & The Bucovina (Club) Orkestar zijn nog te zien voor een volgend hartverwarmend feestje in de Zwerver, Leffinge op 10 december

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Autumn Falls 2010 – Olafur Arnalds - Nive Nielsen & The Deer Children - Menomena - Peter Broderick

Geschreven door

Autumn Falls 2010 – Olafur Arnalds - Nive Nielsen & The Deer Children - Menomena - Peter Broderick
Op de slotdag van de eerste editie van het driedaagse Brusselse indoor festival Autumn Falls was het afzakken geblazen naar de verschillende zalen die de Botanique rijk is. Hoewel de bands die daar die avond geprogrammeerd stonden stuk voor stuk (nog) niet echt een breed publiek aanspreken was de avond toch ruim op voorhand uitverkocht. Het bleek een meesterzet van de organisatoren om op de laatste dag de vrieskou te proberen verdrijven met intieme en minimalistische muziek die associaties oproept aan knetterende haardvuren en stomende warmwaterbronnen.

Peter Broderick
Het was drummen om nog binnen te geraken in de Rotonde, maar wie daar toch in slaagde zal het optreden van Peter Broderick niet vlug vergeten. De intimistische folksongs die deze 23-jarige Amerikaanse singer songwriter moeiteloos uit zijn pols leek te schudden deden het publiek verschillende keren naar adem happen.
Toen Peter Broderick tot twee maal toe de zaal inwandelde om zonder instrument en zonder micro te zingen (eigenlijk eerder een soort huilen) leek de betovering zelfs compleet. Duidelijk was dat deze jongeman zijn job van ambachtelijke songsmid ernstig nam. Het amateuristische geklungel met instrumenten op het podium tussen de nummers door werd hem bij deze ruimschoots vergeven.
Dankzij enkele gesmaakte duetten met zijn vriendin en de looping gewijze versmelting van piano, viool en gitaar bleef het optreden tot de laatste noot boeien. Wie Nick Drake en Sufjan Stevens best te pruimen vindt mag de ontroerende Peter Broderick niet langer links laten liggen.

Menomena
Het indie rockgeluid van het Amerikaanse viertal Menomena was die avond ongetwijfeld de vreemde eend in de bijt tussen de countryfolk en intimistische pianomuziek die uit alle zalen naar buiten sijpelde. Een gedurfde maar ook een geslaagde keuze, want het was wat ons betreft een aangename eerste kennismaking met deze eigenzinnige heren die erin slaagden om hun nummers experimenteel maar toch popgevoelig en toegankelijk te houden.
Op platen ‘Friend and Foe’ en het dit jaar verschenen ‘Mines’ is afwisseling het ordewoord, en zo was het niet verbazend dat ook die avond zowel echo’s van Amerikaanse bluesrock (Kings Of Leon), Britpop (Blur) of pure eighties pop (Cock Robin) doorschemerden. Menomena bleek naast de langharige zanger bovendien over meer dan één uitstekende stem te beschikken en maakte daar tijdens de set ook dankbaar gebruik van. Fans van Kings Of Leon die in hun huidige gepolijste stadion rock de weerhaakjes van weleer missen weten bij deze waar naartoe.

Nive Nielsen & The Deer Children
Doet deze groep bij u een belletje rinkelen? Bij ons ook niet. Omdat we het programmaboekje op voorhand niet zo goed bekeken hadden was onze verbazing dan ook niet klein toen er plots een breed glimlachend eskimo meisje op het podium verscheen. Het was ons trouwens niet duidelijk waarom Nive Nielsen maar bleef lachen het ganse optreden door. Was het omdat ze in een goed gevulde Rotonde mocht spelen na Peter Broderick, voor wie ze wel een boontje leek te hebben? Of was het te wijten een over de generaties heen geërfd biologisch afweermiddel tegen de pooltemperaturen? Leek ons niet echt nodig, want de rijk gearrangeerde countryfolk die ze met haar overtuigende achtkoppige live band bracht leek wel uitgevonden om maandenlange winters binnenshuis te trotseren.
Zelf bespeelde Nive een ukelele en de talrijke blazers kleurden mooi samen met haar fragiele stemgeluid, dat vaag aan Kirsten Hersch van Throwing Muses deed denken. Dat we hier niet direct enkele songtitels meegeven vergeeft u ons wellicht, want de debuutplaat ‘Nive Sings’ is tot nader order alleen in thuisland Groenland verkrijgbaar.

Olafur Arnalds
Zelden een treuriger concert gezien dan Olafur Arnalds op Autumn Falls. Van de spaarzame projecties van opvliegende duiven, sneeuwvlokken en eenzame vuurtorens werd je al niet echt vrolijk, maar de muziek klonk zo mogelijk nog meer deprimerend.
De erg minimalistische, klassieke composities, waarin piano, strijkers en een vleugje avant garde elektronica elkaar uitdaagden, deden de titel van het nieuwe album ‘…And they have escaped the weight of darkness’ alle eer aan.
Net als landgenoot Johann Johannsson bestaat de missie van deze sympathieke piepjonge Ijslander erin om niet klassiek geschoolden ook wat klassieke invloeden bij te brengen. Een opdracht waarin hij die avond trouwens ruimschoots slaagde, getuige de muisstille Orangerie doorheen de ganse set. Als je het ons vraagt toch geen geringe prestatie voor een rechtstaand publiek (dat op het eerste zicht overwegend niet klassiek geschoold leek) in een rocktempel laat op de avond. “Thank you for being the most quiet audience ever” was zijn welgemeend dankwoord tot twee maal toe.

Organisatie: Botanique ism ToutPartout)

Drive By Truckers

Drive By Truckers - Pure, onversneden rock en Americana

Geschreven door

In België zijn er in deze elektronica en dance tijden toch ook nog een hoop talentvolle groepjes die in een verre boog omheen synths, beatboxen en laptops lopen. Bandjes die zweren bij de gitaar als ultiem rock instrument. The Sore Losers is zo een groepje die nog uit het goede rockhout gesneden is, een bandje trouwens waar nog wat overblijfselen van het ter ziele gegane El Guapo Stuntteam in rondhangen. Zanger/gitarist Jan Straetemans blijkt een overtuigend rockertje te zijn. Hij heeft de juiste vibe, een ronkende stem (Jack White hangt af en toe dicht in de buurt) en de nodige passie voor de blues. Dat alles, in combinatie met een handvol potige songs, blijkt meer dan voldoende te zijn om een sterke set te brengen in de Trix. U mag van ons blind hun kersverse debuutplaat aanschaffen, het zal u goed doen. Pas op, ze is nog warm.

De pure onversneden rock en alt country van Drive By Truckers is diep geworteld in de Amerikaanse Zuidelijke staten en zorgt op een podium altijd voor gensters. Vooral de afwisseling in vocals houdt het spannend, enerzijds is er die typische southern stem van frontman Patterson Hood, anderzijds krijgen we de rockende bariton van Mike Cooley die daarmee aardig contrasteert. Ook de drie gitaren, die nogal eens met elkaar in de strijd durven te gaan maar mekaar daarbij nooit voor de voeten lopen, zijn typerend voor de sound van Drive By Truckers. Een glansrol is hierin weggelegd voor nieuwkomer John Neff die zichzelf niet zozeer in de spotlights stelt maar die vooral zijn gitaar laat spreken met puntige solo’s en heerlijk slide werk.
DBT leveren de perfecte afwisseling van vlammende en heftige rocksongs (“Marry me”, een wervelend “Hell no I ain’t happy”), melodieuze klassieke rockers met een knipoog naar Neil Young (“After the scene dies”, “The fourth night of my drinking”), knappe countryrockers (“Birthday boy”, “Carl Perkins Cadillac”) en een gebeurlijke mooie zalvende ballad (“Santa Fe”).
Een band die maar liefst tien platen in amper twaalf jaar heeft uitgebracht kan losjes kiezen uit een omvangrijke stapel vijfsterren-songs zodat het onmogelijk is dat er ook maar één zwak moment te bespeuren valt in hun set. Vandaar, het concert boeit van begin tot einde.
Enige frustratie die je met een DBT optreden kan hebben is dat je zonder veel moeite een pak schitterende songs kan opnoemen die de heren niet spelen. Zo wordt er maar heel sporadisch geput uit hun magnum opus ‘Southern Rock Opera’ en dat is misschien een beetje jammer, maar we gaan vooral niet morren want we hebben hier te doen met een luxe probleem.
Bij aanvang van de bisronde meldt Patterson Hood trouwens dat er alweer een nieuwe Drive By Truckers cd op stapel staat (en de vorige ‘The big to-do’ is amper een klein jaartje oud, van een productief groepje gesproken) waarop hij prompt de prachtige en absoluut veelbelovende nieuwe song “Used to be a cop” uit zijn mouw schudt.
Spontaan beginnen wij kwijlend te verlangen naar die nieuwe plaat (zou voor februari al zijn). Met die bisronde gaat het daarna alleen maar in crescendo met “Get downtown”, die spetterende rock’n’roll song uit dat voortreffelijke album ‘The big to do’, en het geweldige anthem “Let there be rock” (ode aan AC/DC, Lynyrd Skynyrd en verder eigenlijk alle onverslijtbare rock die u helaas nooit zal horen op Stu Bru).

Drive By Truckers is nog zo eens een groep die klasrijke traditionele rock met passie brengt en niets anders dan dat. Geen geforceerde hippe geluidjes, geen pretentie, geen macho rockstar gedoe, geen in marketingkringen uitgedokterd imago. De wereld heeft zulke bands nodig. En, niet te vergeten, The Sore Losers is er gelukkig ook zo eentje. Er zijn nog zekerheden in het leven.

Organisatie: Trix, Antwerpen

Macy Gray

Macy Gray - de complexe en onpeilbare diva

Geschreven door

Hoe zou het nog met Macy Gray zijn? Ewel, goed. In zekere zin toch. Met ‘The Sellout’  liet ze de voorbije zomer haar vijfde studioalbum op de wereld los. ‘Uitverkoop’ is een zwaarwegende titel, maar gezien haar zwalpende jaren na haar topdebuut ‘On how life is’ (1999) moest misschien alles weg om (nog eens) te kunnen herstarten. Kwestie van de complexen wat weg te dringen. Het slotnummer van de plaat heet dan ook niet voor niets “The Comeback”.
Hoezo een comeback? Ja, het ‘lelijke eendje met de gouden zwanenstem’ tipte nooit meer aan haar opener van een dikke tien jaar terug. Hoezeer ze zich ook omringde met pop- en andere topmuziekmensen, het ooit gelauwerde fenomeen van “I try” gleed steeds dieper weg.

We waren dan ook benieuwd hoe ze eind november in de Brusselse AB de zaal zou warm krijgen.
Met een medley, zo bleek. Van eigen nummers, van verschillende platen, van verschillende artiesten. La Gray probeerde zich ook van het fysieke lelijkheidstrauma  te ontvellen en doorspekte haar gig bijvoorbeeld viermaal met een andere jurk. Vol standing, een diva waardig, maar nog altijd zo complex onpeilbaar.
In hokjes past ze niet. Ja, soul, akkoord, maar daarnaast blijft ze onvoorspelbaar. Ook in Brussel waar we van jazzy momenten in tachtiger disco tuimelden terwijl ze bij momenten ook een warrige indruk liet.
Haar zwaar uitgespannen zijaanzichtfoto schreeuwde zwart op wit om aandacht. Haar (overigens super) backing vocal deed hetzelfde als woordelijke aankondiging van Gray, opstappend in zwarte jurk met een zwart-witte boa om de nek. Het haar stijf omhoog. Een verschijning, maar niet zo helder van geest, zo leek ons, al waren haar rockpasjes op “Kissed it” wel in de maat.
”I am Macy Gray, but I don’t know your names. Introduce yourself” wauwelde ze de zaal toe net voor Caligula waarna een Google-verhaaltje volgde over waarom ze die avond snel-snel naar Brussel was gekomen. “The more you drink, the better we sound”, was ook niet meteen een quote die zelfvertrouwen uitstraalde. Of was het echt enkel als grap bedoeld?
Misschien, maar wellicht niet, want meteen erna bracht ze een (trouwens knappe) ode aan Radiohead en haar lage(re) zelfbeeld met “Creep”, gevolgd door “Nothing else matters” van Metallica dat ze volledig overliet aan haar backing met witte pruik terwijl zij even ging ‘bijtanken’.
… En omkleden. Want in een glitterdress met een nadrukkelijk kralen snoer stuurde ze de AB na “Demons” de dansvloer op met “Why didn’t you call me” en “Do Something” .
… ”We might as well dance together” … Door die parels van haar eerste cd was Gray voor het eerst weer echt Gray. Herkenbaar dus voor de fans van het eerste uur.
Net toen liep het bij de PA fout want op “Still” ging het geluid tot viermaal toe aan het tsjirpen. Daar bleef het gelukkig bij, zodat het op de (te korte) reggaeversie van “Sweet Baby” ongestoord en zalig meebewegen was.
Zwoel en hoerig stapte ze met “On & on” een jazzy-lounge nightclub binnen om even later met een mengeling van door oude discosongs doorspekte eigen aan elkaar gebreide nummers de jaren tachtig te laten heropleven. “Sexual revolution”  blijft ook een meezinger voor het toch wel genietende publiek, met een leuke knipoog naar Rod Stewart (“Do you think I am sexy?”) en een billenkneep in Dee-Lite (“Groove is in the heart”). Al was dat weer het werk van haar backing sister want opnieuw dook ze de kleedkamer in. In een zwarte cocktailjurk kwam ze alweer stijlvol terug en dompelde “Oblivion” onder in een lekker Balkansausje.
Tijd voor wat Trust- en Peace- en Love-gebedel bij haar toehoorders die graag meededen. Het verhaaltje over ‘The man you tell the truth to and who stays with you is the real one’ klonk alweer wat lang en bijna zelfvernederend-verlangend. Tijd voor een nieuwe break, vond ze en ze ging zitten terwijl een gitaarversie klonk van Queens We are the Champions, gevolgd door een lekker Afrikaans aandoend “Beauty in the World”.

Nog één bisnummer had ze in haar alweer gewisselde jurk. “Que sera”. En weg was ze. De Brusselse nacht in. Pretentie- en complexloos, dachten we te schrijven. Maar die complexen, daar zijn we nog niet helemaal uit.

Setlist 1. Jazz intro 2. Ghetto love 3. Kissed it 4. Caligula 5. Glad you’re here
6. Creep 7. Nothing else matters 8. Demons 9. Call me 10. Do Something 11. Still 12. Sweet baby 13. On & on 14. That man 15. Let you win 16. Sexual Revolution 17. Oblivion 18. I try
19. We are the champions 20. Beauty in the World 21. Que sera

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Greenhouse Talent


Coliseum

Coliseum weet waar het de mosterd haalt

Geschreven door

De set van het Belgische Black Haven was al beëindigd toen we vorige week zaterdag door het barre winterweer en na enig zoekwerk het jeugdhuis Thope in Brugge wisten te bereiken.
Bij navraag bleek de punkmetal van dit viertal wel aan te slaan bij het lokale publiek. In dat publiek was niemand minder dan de Brugse tattoo-artiste Jen Zie (een goede vriendin van Muriëlle Victorine Scherre van La Fille d’O) aanwezig en dat zouden we geweten hebben. De langbenige ‘Brugse Skone’ kwam meermaals in beeld daar ze deel uitmaakte van een groepje in het publiek dat niet kon blijven stilstaan gedurende de sets van de diverse bands.

Kvelertak (Nor) kwam hun alom bejubelde debuutplaat, die begin dit jaar werd uitgebracht, promoten en dat deden ze met glans. De rock-’n-roll metal van dit Noorse zestal klonk aanstekelijk en een partysfeer maakte zich meester over het leuke zaaltje. Ook op het podium niets anders dan speelplezier. De drie (3!) gitaristen staken elkaar voortdurend de loef af, terwijl de bassist het niet kon laten om halverwege de set een box te beklimmen en van daarboven een volledig nummer wiebelend zijn bassnaren te geselen. Dat de Noren in hun moedertaal zongen, kon het publiek worst wezen. Er was ambiance in de keet en de show deed denken aan waar hun landgenoten Turbonegro zo goed in zijn: humorvolle, ‘in ya face’ rock ‘n’ roll met een punkdrive waar je onmogelijk bij stil kan blijven staan. Kvelertak doet er bovendien nog een schepje bovenop met de krijsende stem van zanger Erlend Hjelvik en het implementeren van blackmetal-riffs. Het optreden van Kvelertak was af en ze zijn klaar om in minder dan een jaar zelfs de rol van headliner op zich te nemen. Noord-Europese klasse!

Het uit Vancouver (Canada) afkomstige Bison B.C. klinkt misschien niet bekend in de oren maar ze hebben toch al getourd met grotere namen als Baroness en Priestess. Hun sludge heavy metal, doorspekt met doomriffs kwam echter niet volledig tot zijn recht wegens P.A. troubles. Ondanks deze tekortkomingen deden de de twee brulboeien en baardapen van dienst (James Farwell en Dan And) hun uiterste best om de ‘Neanderthal-metal’ de nodige kracht bij te zetten. De Oosters uitziende bassist Masa Anzai had er duidelijk zin in en betokkelde zijn bas alsof hij een nazaat van Bruce Lee was. Samen met drummer Brad MacKinnon vormde hij de solide basis waarop de twee frontmannen blindelings konden vertrouwen. Slechts twee nummers uit hun debuutplaat Quiet Earth uit 2008 passeerden de revue: “These are my dress clothes” en het Mastodoneske “Slow hand of death”. Dit laatste was tevens het hoogtepunt van hun set, waaruit voor het overgrote deel werd geput uit hun recent uitgebrachte schijf Dark Ages. Ondanks het teruggeschroefde volume geen slechte vertoning.

Headliner Coliseum (afkomstig uit Louisville, Kentucky) timmert al sinds 2003 aan een muzikale carrière en tourde ondertussen al met Napalm Death, High on Fire en Converge. Het drietal is sinds begin november bezig aan het Europees gedeelte van hun tour naar aanleiding van hun dit jaar uitgebrachte album House with a curse. En dat dit derde full-album insloeg als een bom, konden we al van bij de start aan den lijve ondervinden. Opener “Blind in one eye”, gevolgd door “Everything to everyone” en “Crime and the City” lieten ons direct grondig kennismaken met dit nieuwe album.
Het geluid zat goed en de leden van de band hadden het duidelijk naar hun zin. Kolos Ryan Patterson (inclusief Black Flag t-shirt) was blij dat ze in Brugge waren en loofde zowel de catering als het publiek. Bassist Mike Pascal (denk aan Malcolm Young van AC/DC met een Spinal Tap attitude, inclusief haircut) stond geen seconde stil en stak om de minuut zijn gebalde vuist vooruit. De drummer, Cart Wilson, sloeg – ondanks zijn tengere gestalte – gensters uit zijn drumstel.
Kortom een strak drietal dat weet waar het de mosterd haalt (ook de bassist droeg een Black Flag t-shirt) en er vervolgens een originele twist aan geeft. Coliseum kan je best omschrijven als oldschool hardcore, verrijkt met vettige southern desertrockriffs. Er werd sporadisch nog eens een nummer uit hun debuutplaat ‘Coliseum’ (2004) gespeeld, bvb. het voortreffelijke “Give up and drive”, alsook enkele nummers uit het in 2007 uitgebrachte ‘No Salvation’. Eén ervan zat bij de encores: het up-tempo “Defeater” dat nog het meest schatplichtig was aan Black Flag! Coliseum was kolosaal! Meer van dat!

Setlist Coliseum:
[1] Blind in one eye [2] Everything to everyone [3] Crime and the city [4] Turn to dust [5] Interceptor [6] Give up and drive [7] Skeleton smile [8] Lost in Groningen [9] Punk/Money [10] Year of the pig [11] Theme // [encores]  [12] Defeater [13] Set it straight

Organisatie: HeartBreakTunes (ism JH Thope, Brugge)

Autumn Falls 2010 – Atari Teenage Riot – Aux Raus – Vermin Twins

Geschreven door

 In het algemeen vind ik het aperitiefhapje - ja, de band die nog aan de beurt is vóór het voorgerecht - dat de toeschouwer krijgt toegeworpen bij een concert, meestal maar flauw en flets. Maar dan is dat buiten Vermin Twins gerekend, een duo dat bestaat uit Micha Volders (ex-El Guapo Stuntteam) en Lotte Vanhamel (jawel, zus van). Nog voor ze goed en wel beginnen, is het al duidelijk dat er geen gewone elektro zal volgen. In bijzondere zwart-wit pakjes betreden ze het podium, Vanhamel als een kokette kat dansend over alle kabels en machinerie die her en der verspreid liggen. Ze zijn voor haar absoluut geen obstakels, eerder attributen! Maar het is niet enkel de présence die deze band maakt, o nee, ze maken ook steengoede, loeiharde elektro. Voor het gemiddelde publiek misschien een beetje te hard, maar wees gerust, u laat zich algauw meeslepen door de allesomverwerpende energie. Deze elektro valt het beste te beschrijven als de Ed Banger-herrie, zo kenmerkend voor goden als Justice, maar met nog een iets grotere portie lawaai. Dat zich ten volle laat smaken!

Daarna volgt Aux Raus, die zichzelf graag laten omschrijven als 'gabberpunk'. De term zegt het zelf, een genre voor liefhebbers. Zelf ben ik niet zo tuk op de mengeling van hardcore-punk met pure techno. Het gaat er ronduit hárd aan toe, met een zanger die naarmate de set vordert, zo veel mogelijk kleren probeert uit te spelen. Altijd tof als dit initiatief wordt genomen door knappe adonissen, maar we zullen het er allemaal roerend over eens zijn dat dat in dit geval niet van toepassing is. Bovendien staat iedereen al te springen voor het hoofdgerecht...

Sympathiek, die mensen van Atari Teenage Riot! Ze beginnen er al aan, vijf minuten vóór ze eigenlijk van start zouden moeten gaan. Hoezo, goeie artiesten beginnen altijd een kwartier te laat? De toeschouwers worden al wild bij aanvang van nog maar een klein beetje noise. En dan gaat de riot van start, zodra het geschreeuw begint, danst iedereen zo wild dat er een golf van chaos over de zaal neerdaalt. Maar hoe hard iedereen ook springt, als er iemand valt, rapen we deze persoon op. Het zijn niet alleen de nieuwe nummers die inslaan als een bom, maar vooral klassiekers als “Too dead for me” maken ons helemaal gek.
Het kan dan ook niet meer op als we “Ghostcase” en “Revolution Action” nog als toemaatje krijgen. Frontman Alec Empire betreedt de zaal met een megafoon in de hand, ongelovig kijkend naar wat voor een feest hij wel niet veroorzaakt. Meisjes staan als beesten te dansen vooraan, iedereen is gewoon volledig losgeslagen.
Afschuwelijk lawaai, zo zou de gemiddelde grootouders het noemen, maar iedereen is herenigd, zowel de punker uit de jaren negentig, als de nieuwe generatie alternatievelingen. Het zijn alle blauwe plekken méér dan waard.

Organisatie: Vk* (ism ToutPartout)

Swans

Swans - Play at loud volume!!!

Geschreven door

Op deze barre en winterse vrijdagavond trokken we goedgemutst en warm ingeduffeld naar het Noord-Franse Tourcoing om de herenigde New Yorkse noisemasters Swans aan het werk te zien. We waren benieuwd of ze nog altijd even indrukwekkend en overrompelend waren als voordien.

Eerst kregen we de Londense alternatieve folkartiest James Blackshaw voorgeschoteld. Op zijn twaalfsnarige akoestische gitaar bracht hij dromerige, intieme, spaarzame en rustige songs die beïnvloedt waren door artiesten als John Fahey, Bert Jansch en Leo Kottke. De 29-jarige troubadour, die op het Young God Records-label zit van Michael Gira, bracht het er redelijk goed van af, maar zijn fingerpicking style stond in schril contrast met de massieve wall of sound van Swans. Zodoende niet de ideale match, de verkeerde man op de verkeerde plaats.

Voor wie Swans niet kent, een introductie: Swans zijn een invloedrijke Amerikaanse noise/industrial/ experimentele rockband, opgericht door singer/songwriter en multi-instrumentalist Michael Gira. De groep was deel van de New Yorkse 'No Wave'-scene (cocktail van post-punk, punkrock, jazz, funk en avant-garde) met acts als Lydia Lunch, Teenage Jesus and The Jerks, Sonic Youth, D.N.A., Mars en James Chance and The Contortions. De band was vooral befaamd in de jaren tachtig om hun krankzinnig luide en intense optredens waarbij regelmatig aanwezigen brakend de zaal uitliepen. Hun sound was log, minimalistisch, beenhard en afgekloven. Na hun derde album voerde de band een stijlverandering door en klonk de muziek minder zwaarmoedig, toegankelijker en melodieuzer.
Naast Gira, waren vocaliste/keyboardspeelster/songwriter Jarboe en gitarist Norman Westberg de enige vaste leden. Tussen '82 en '97 penden ze een uitgebreide en aanzienlijke discografie bijeen: elf studio-albums, zeven compilaties, negen liveplaten en elf EP's.
Na de split in '97 profileerde Gira zich vooral als solo-artiest en frontman van Angels of Light, een project met constant wisselende musici. Gedurende deze periode maakte hij eerder breekbare, akoestische en ingetogen muziek. Een radicale stijlbreuk met zijn verleden bij Swans die vooral grossierden in gitzwarte, rauwe en nihilistische songs. Hij richtte tevens een eigen platenlabel op, Young God Records.
Toch begon het weer te kriebelen en aldus werd in januari 2010 Swans nieuw leven ingeblazen door Gira, ditmaal zonder Jarboe. Er volgde een felbejubeld en enthousiast onthaald nieuw album, het eerste in dertien jaar, met de vertrouwd klinkende sombere titel 'My father will guide me up to a rope to the sky'. Een achttien maanden durende wereldtour zit inmiddels op de rails.

In de kleine maar gezellige en sfeervolle Grand Mix begon Swans hun set met een indringende en uitgesponnen drone, aanzwellende loops en gehamer op staven waarbij langzaamaan één voor één de andere instrumenten bijkwamen. Zodra de bas en gitaren invielen herkenden we "No words/no thoughts", tevens de opener van de nieuwe langspeler.
Een trage opbouw is typisch voor Swans en zou één van de hoofdkenmerken worden van de performance. Elke song kreeg de tijd om zich live te ontwikkelen tot 'monsterversies' van een kwartier tot zelfs twintig minuten, dit in tegenstelling tot de studioversies die eerder beknopt zijn. Door de lange improvisaties was het niet altijd duidelijk waar een nummer eindigde en een ander begon. Uiteindelijk speelde Swans bijna twee uur waarin ze slechts acht tracks en één korte bis ten gehore brachten. Van verveling was geen sprake.
Van de oorspronkelijke bezetting zijn alleen Gira en oudgediende Norman Westberg nog present, aangevuld met de nieuwe 'werkkrachten' Chris Prevdica en lap steel-gitarist Christoph Hahn. Phil Puleo en Thor Harris (beide ex-Angels of Light) etaleerden hun kunsten niet alleen op drums en percussie, maar stonden ook hun mannetje op keyboards, vibrafoon, xylofoon, gong en melodica. Dit alles gaf een duidelijke meerwaarde aan het totaalgeluid, een streling voor het oog en oor!!
Tijdens "Your property" (‘Cop’), beukrock uit '84, rinkelden de decibels je om de oren. "Sex God sex" uit meesterwerk en blauwdruk 'Children of God' was minimalistisch en ondraaglijk intens, een aanslag op de trommelvliezen. Het recente "Jim" was een uitermate expressief, donker en cynisch eerbetoon aan de Australische industrial/noise-artiest Jim Thirlwell, ook wel bekend onder de naam Foetus, een tijdsgenoot van Swans.
De geslaagde medley "You know nothing/Beautiful child" (uit resp. 'White light...' en 'Children of God') was bitter en bijna gewelddadig."I crawled" een andere stokoude Swans-song was confronterend, hypnotiserend en brutaal. "My birth" en "Eden prison" dreven allebei op onontkoombare, uitgepuurde en tribale ritmes. We werden compleet murw geslagen.
Met het korte en bijna spirituele "Little mouth" trakteerden ze ons met een bisnummer en kwam er een einde aan een verbluffend indrukwekkende show.

Gira was niet bepaald communicatief. Hij keek vooral gefocust en schijnbaar streng naar zijn muzikanten en zei amper een woord tegen het publiek. Tot hij vlak voor het einde een biertje vroeg en wat losser werd. Hij toonde zich als een minzame vijftiger en bedankte zijn publiek voor hun trouw. Ja, de tijden zijn veranderd. Vroeger had hij de reputatie om zijn publiek uit te dagen en te provoceren, maar daar merkten we nu weinig van.

Een optreden van Swans anno 2010 is een twee uur durende uitputtingsslag gedirigeerd door de machtige bariton van Gira en waarbij alles draait om volume, repetitieve ritmes en intensiteit. Je voelt als het ware de muziek door je hele lijf en kan ervan in een zekere extase geraken. Dit was monotone, bezwerende trancemuziek, een soort van oerritueel.
Swans behoort nog steeds tot de extreemste, luidste en radicaalste bands uit het hedendaagse muzieklandschap. Ze serveerden ons een indrukwekkend, niet te versmaden en vooral luid concert dat we niet vlug zullen vergeten. Welcome back, Swans!!!

Setlist:  1. No words/no thoughts  2. Your property  3. Sex God sex  4. Jim  5. You know nothing/Beautiful child  6. I crawled  7. My birth  8. Eden prison  9. Little mouth

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Jeff Wayne

Jeff Wayne’s Musical Version of The War of the Worlds

Jeff Wayne’s Musical Version of The War of the Worlds
De titel van het beroemde boek van de Britse schrijver H.G.Wells uit 1898 spreekt reeds meer dan een eeuw tot de verbeelding van miljoenen mensen. Het is een sciencefiction horrorverhaal met de klassieke ingrediënten: terreur, wanhoop, liefde en een onverwacht happy end. Alles is aanwezig om een ruim publiek te boeien.
Het boek maakte Wells tot één van de beroemdste schrijvers uit zijn tijd. Hij was zeker visionair, getuige bijvoorbeeld zijn voorspelling in 1914 over de verschrikkingen van de atoombom. Het boek kwam opnieuw volop in de belangstelling door de hevige commotie rond het hoorspel van Orson Welles uit 1938.
In 1978 greep het verhaal de wereld opnieuw bij de keel. De muzikale versie van Jeff Wayne werd zonder meer een wereldhit. Een kwarteeuw later (in 2004) maakte hij daarvan een theaterbewerking, waarmee hij reeds vier jaar rondtoert met een vijftigtal muzikanten en vijf bekende solisten. Hij dirigeert zelf het ganse stuk en het plezier druipt er overduidelijk van af. De verfilming door Steven Spielberg in 2005 (met Tom Cruise in de hoofdrol) droeg alleen maar bij tot het succes van de show.

Het zou ons te ver voeren als ik zou proberen een beschrijving te geven van alles wat we te zien en te horen kregen. De website geeft daarover genoeg gedetailleerde uitleg (http://www.thewaroftheworlds.com) . Maar wie nog wat prikkels kan gebruiken om ook effectief te gaan surfen, kan ik misschien enkele dingen aanreiken die mij speciaal opvielen. Het eerste wat bij me opkomt is zonder twijfel het meer dan drie meter grote hologram van Richard Burton, de verteller, die met de regelmaat van de klok boven het podium komt zweven. De bezwerende stem doet meer dan het verhaal vertellen en converseert zelfs met de acteurs, sprekende mimiek inbegrepen.
Een ander hoogtepunt in de show portretteert misschien nog het best de ongelooflijke volledigheid en veelzijdigheid van de show. Bij het uitbreken van de oorlog daalt een gigantische drie ton zware tripod (één van de machines van Mars) neer en bestookt het publiek met knallende vuurstralen, bijgestaan door snerpende gitaren, snijdende violen en flitsende lichteffecten. Het scherm brengt onverminderd het strijdtoneel in beeld en de synergie tussen de vele elementen wordt nog groter als ook de voorkant van het podium in lichterlaaie staat.
Het gaat echter niet altijd loeihard, want de show omvat ook perfect opgebouwde melodieën. Dit is bijvoorbeeld het geval in “Eve of the War”, waar het hoofdthema iedereen meteen meesleurt met de imposante vioolstreken. Pas tegen de pauze lijk je opnieuw naar adem te kunnen happen. De samenwerking tussen de veertig orkestleden en de tien bandleden is zo goed dat het niet eens opvalt dat ze samen spelen.
Ook subtiliteit zit vervat in het meesterwerk van Jeff Wayne. En dat is des te meer het geval in “Forever Autumn”, waar de fluwelen stem van Moody Blues’ Justin Hayward zijn elegantie en stijl perfect aanwendt om de eerder aangehaalde liefde en melancholie te symboliseren. Een heerlijk subtiel deel na het grote geweld van de oorlogsverzen.
Naast Justin Hayward is ook de rest van de cast zonder meer indrukwekkend. De passie van Jason Donovan, die de gekke artillerieman vertolkt, blaast de zaal weg in “Brave New World”. En dan is er ook nog Liz McClarnon (Atomic Kitten) die plots de hemel ingaat of Rhydian (uit X-factor 2007) en Chris Thompson (Manfred Mann’s Earthband). Een indrukwekkende cast die niet louter subliem soleert, maar ook nog eens uitstekend acteert.

De show is zonder meer grandioos en overweldigend. De fans wisten niet waar eerst te kijken, terwijl de muziek zuiver en meeslepend is. Tussen de songs door volg je geboeid het verhaal, dat voortgestuwd wordt door de dwingende drum, de dwepende bas en de messcherpe gitaar- en synthesiserklanken.
Terwijl ik dit verslag schrijf heb ik de muziek opstaan en ik betrap mij er op dat ik er niet genoeg kan van krijgen: missie geslaagd, Jeff!


Organisatie: Sportpaleis, Antwerpen

Gorillaz

Gorillaz - Schitterend totaalspektakel

Geschreven door

Wat als een ambitieus nevenprojectje is begonnen, is uitgegroeid tot een fameus totaalspektakel en een tijdrovend circus. Maar creatief brein en muzikale veelvraat Damon Albarn weet er raad mee, hij heeft met de unieke formule van Gorillaz onverhoopte successen bereikt en reist met zijn omvangrijke gevolg de wereld rond waarbij hij overal op zeer lovende reacties onthaald wordt. De man geniet er zichtbaar met volle teugen van en alle bandleden delen in zijn vreugde. Gorillaz is hot.

Aanleiding tot de succesvolle concertenreeks is natuurlijk het avontuurlijke derde Gorillaz album ‘Plastic Beach’, een plaat met een verslavende werking en eentje die bovenaan gaat eindigen in alle eindejaarslijstjes. En na wat we vanavond hebben mogen meemaken, gaan wij dat album nog meer koesteren. Een hele resem special guests hebben er aan meegewerkt, en een pak van hen dartelen gewoon mee op tournee, ook al staan ze iedere avond maar enkele ogenblikken op het podium.
Om Gorillaz live ten volle mee te beleven kom je ogen en oren te kort. Razend knappe visuals en animaties passeren op groot scherm terwijl daaronder op het podium ettelijke muzikanten met laaiend enthousiasme hun ding doen. En dan is er nog Damon Albarn zelf die volledig opgaat in dat totaalgebeuren en hierbij de bedrijvigheid aan de dag legt van een overenthousiast kind dat zopas een uitpuilende speelgoedbox van Sinterklaas heeft gekregen. Hij vliegt en springt over het podium, hitst geregeld zijn bandleden op en gaat die zelfs ongegeneerd omhelzen.
Tijdens zijn vrolijke escapades blijft hij steeds knap bij stem en zingt hij met een ongeziene vurigheid. Een prachtige frontman dus die centraal op het podium dan nog eens geflankeerd wordt door een paar levende legendes, met name Clash leden Mick jones en Paul Simenon. Jones fladdert voortdurend geamuseerd over en weer op het podium, ondertussen de fijnste gitaarriffs uit de losse pols schuddend, en een al even driftige Simenon weet met zijn diepe bastonen een nadrukkelijke stempel op het Gorillaz geluid te drukken.
Na de knappe animatie intro komt een strijkensemble bestaande uit een handvol bevallige kortgerokte jongedames (een mens zou wensen dat hij een viool was) op magistrale wijze de eerste tonen van “Orchestral intro” inzetten en daarna komt Snoop Dogg van op groot scherm een welkomstwoord rappen in “Welcome to the world”, op het podium wordt hij hier bijgestaan door het naarstig trompetterend Hypnotic Brass Ensemble, een hitsige blaaskapelbende met een buitenproportionele longinhoud. Het is algauw duidelijk dat we hier vanavond grootse dingen gaan beleven.
Een voorname gast is soullegende Bobby Womack die het aanstekelijke “Stylo” op de meest wonderbaarlijke manier naar de hemel zingt. Een stem om van omver te vallen. Ook de strot van de bevallige Rosie Wilson knalt helder in “19-2000”.
Om te tonen dat Gorillaz ook zonder gastzangers kunnen schitteren komt Albarn van achter zijn piano “Melancholy hill” subliem vertolken en blaast hij er een gloeiend en ontvlambaar “Rhinestone Eyes” door.
De rappers van De La Soul hebben in het voorprogramma voor wat bedenkelijk en geforceerd amusement gezorgd, maar hun raps blijken binnen het concept van Gorillaz wel te werken en ze maken een knetterende party van “Superfast Jellyfish”.
Nog schoon hip hop volk op de vloer met Bootie Brown en MF Doom in een uiterst knap “Dirty Harry” (met heerlijke backgroundkoortjes) en “November has come”.
De Oosterse muze Little Dragon doet samen met Albarn een paar mooie dingen op het fijne “Empire ants” en op het lieflijke wiegeliedje “To Binge”, en om “White flag” te introduceren komen een combo Syrische muzikanten de meest betoverende Oosterse klanken uit hun gekke instrumenten toveren. Wij zien nochtans geen slang uit een mand komen, maar we kunnen die er zo bij denken.
Het fantastische dansfeestje “Dare”, een hoogtepunt onder de hoogtepunten, met Rosie Wilson in een spetterende hoofdrol, blaast het dak van de Lotto Arena.
Voor we het goed beseffen zijn we al aan de finale beland. De temperatuur gaat nog maar eens de hoogte in met het stomende “Glitter Freeze” (weliswaar zonder de fantastische brompot Mark E Smith maar toch even briljant) onmiddellijk gevolgd door een furieus “Punk” waarin de heren van The Clash door het dolle heen gaan.
Voor de bisronde komt Bobby Womack nog eens schitteren in “Cloud of unknowing” en ontploft de hele zaal met “Feel good Inc” dat opgejut wordt door de raps van De La Soul. Natuurlijk is het ook nog eens dolle pret met de knaller “Clint Eastwood”, die prachtsingle waarmee alles destijds is begonnen, om dan in schoonheid te eindigen met “Don’t get lost in heaven” en de wervelende finale “Demon days” met alweer een fantastische Bobby Womack op de voorgrond.

Ronduit grandioos. Damon Albarn verdient een standbeeld.
Wij mogen hopen dat dit voor herhaling vatbaar is, wat niet evident is met zo een organisatie. Toch misschien nog één keertje in Werchter ? Alstublief, Damon, wij smeken u. De Schuer zal wel betalen. Wij dus.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

The Demons Claws

The Demon’s Claws - Beter dan ooit

Geschreven door

Na ze in Kortrijk en Brussel gemist te hebben was Doornik mijn laatste kans om The Demon's Claws in België nog eens aan het werk te zien. Bij aankomst bleek Le Water Moulin meer weg te hebben van een kraakpand dan van een concertzaal : een oud huis waar jaren geleden de verwarming blijkbaar was weggehaald en waar het toilet met de emmer wordt doorgespoeld. De optredens vonden plaats in de living waarin achteraan een toog uit houten paletten was gebouwd. Maar uiteindelijk bleek dit toch een prima locatie voor een avondje onvervalste garagerock.

Billy Joe, een one-man-band uit Brussel heeft niet meteen de meest originele naam gekozen (tik maar eens in op Google!). Er loopt zelfs een hiphopgroep rond met dezelfde naam, ook al in onze hoofdstad. Hier ging het om een timide jongeman die zich botvierde op gitaar, zichzelf begeleidend met de voeten op een basdrum en een snare drum. Opgefokte blues in de stijl van Left Lane Cruiser, kan er bij mij altijd in. Hij begon ijzersterk maar bleek na zo'n 20 minuten zijn beste kruit verschoten te hebben. Toch een naam om te onthouden.

Na hun desastreuze doortocht in de Pit's enkele weken geleden (daar kwamen ze niet aan spelen toe omdat ze hun basversterker niet aan de praat kregen) was mijn krediet voor Acid Baby Jesus zo goed als helemaal opgedroogd. Kan een groep met zo'n stupide naam overigens geloofwaardig zijn? Er werd aarzelend begonnen met enkele rammelende popniemendalletjes, genre Harlem (die me eerder dit jaar ook al ontgoochelden) en leek ik mijn gelijk te zullen krijgen. Maar gaandeweg ontpopte de groep zich zowaar als het Europese antwoord op The Black Lips! Deze gasten uit Athene hadden verdomd sterke songs in de vingers terwijl de piepjonge gitarist voor een weldadige noise-injectie zorgde. Soms kwamen zelfs Thee Oh Sees om het hoekje kijken, die ijle stemmen! Acid Baby Jesus bleek een bijzonder aangename verrassing en zorgden eindelijk eens voor een positieve noot uit het ferm geplaagde Griekenland.

Na de zoveelste personeelswissel zijn The Demon's Claws nu definitief de groep van zanger-gitarist Jeff Clarke. Zoals hij met zijn blonde lokken, half beschonken op het podium stond heeft hij wel iets van Jeffrey Lee Pierce, hopelijk eindigt hij niet even tragisch. Voorlopig staat zijn drankgebruik de muziek nog niet in de weg. Integendeel : The Demon's Claws waren bijzonder goed op dreef. Ok, terwijl Clarke en de drummer zich de ziel uit het lijf speelden stonden de bassist en de tweede gitarist er veel te verweesd bij. Maar muzikaal klopte het plaatje perfect. De twee gitaren kronkelden voortdurend krols rond elkaar en deden me meer dan eens aan een Beefheart ten tijde van "Mirror man" denken.
Misschien klonk het wat minder onstuimig dan vroeger maar het bleef toch steeds fantastisch rammelen. Wanneer Clarke wat gas terugnam koos hij steevast voor country en klonk hij als Mick Jagger begin jaren zeventig. Dit groepje uit Montreal hoort wat mij betreft tot de absolute top van de garagerock, spijtig dat je daar tegenwoordig niet veel meer mee koopt. Gelukkig trekt Jeff Clarke zich daar niets van aan en wist hij zelfs van geen ophouden. Telkens kwam er nog wel een andere song in gedachten die hij absoluut wou spelen. 

Spot On Denmark 2010 – The Kissaway Trail – Efterklang – Cody – Chimes&Bells

Geschreven door

Spot On Denmark 2010
Voor de vierde editie van Spot On Denmark waagden de organisatoren voor het eerst de overstap van de kleine, intieme AB Club naar de veel grotere AB Box, maar niet zonder enige vorm van risicobeheersing. Deense groepen als The Kissaway Trail en vooral Efterklang zijn immers al lang niet meer aan hun proefstuk toe in onze contreien. Men kon zich zelfs afvragen of de missie van deze originele showcase, met name ‘het ontdekken van nieuw Deens muzikaal talent’,wel nog overeind bleef dit jaar. Een kniesoor die hierover zijn beklag doet, want ook deze keer gaf de bijna volgelopen zaal met opvallend veel (schoon) Deens volk zich gretig over aan een sfeervol avondje ‘Spotten”. Al bleken de nieuwkomers dit jaar uiteindelijk wel met de bloemen te gaan lopen.

Chimes&Bells
De avond begon onder een somber gesternte met Chimes & Bells, een jong, schuchter collectief uit Kopenhagen rond zangeres/celliste Cecilia Trier die eerder al haar sporen verdiende bij Choir Of Young Believers. Enkele occasionele noise uitspattingen niet te na gesproken was traagheid hét handelsmerk van Chimes&Bells, waardoor je al vroeg in de set het gevoel kreeg naar het Deense antwoord op Beach House te staan luisteren. Niet alleen het sterk aan Victoria Legrand verwante, soulvolle stemgeluid van Cicilia Trier was onmiskenbaar, ook de arty uitstraling van dit multi-instrumentele gezelschap moeten de heren van Bella Union overstag hebben doen gaan om de debuut EP ‘Into Pieces Of Wood’ op hun prestigieuze label (o.a. Fleet Foxes) te strikken. Door het té eentonig deprimerende karakter van de songs (“Golden Sweater”, “Stand Still”) sloeg de verveling wel wat toe naarmate de set vorderde. Als Chimes & Bells er echter in slagen om hun donkere composities af en toe wat meer zonlicht te gunnen lijkt een nieuwe Deense belofte wél in de maak.

Cody
Afgaande op de muzikale superlatieven waarmee Cody de voorbije jaren in hun thuisland overladen wordt (beste concert op Roskilde 2009, Best Danish Album,…) koesterde je de verwachting dat Cody wel eens dé revelatie zou kunnen worden van deze editie. Een verwachting die eigenlijk al vanaf het openingsnummer ingelost werd. Met hun met veel overgave gebrachte mengeling van country, folk en americana had dit zevental dat weggeplukt leek uit een koeienranch in Montana weliswaar de muzikale tijdsgeest aan hun kant. Maar met ronduit schitterende nummers als “Comfort And Rage” en “Your Window” nam dit “alternatif country” gezelschap uit Kopenhagen duidelijk geen genoegen met een figurantenrolletje binnen dit genre. In tegendeel, ze nestelden zich zowaar moeiteloos naast het beste wat pakweg The Low Anthem in aanbod heeft, geen geringe prestatie als je ziet hoe hoog hun plaat ‘Oh My God, Charlie Darwin’ vorig jaar in de eindejaarslijstjes prijkte. De meeste nummers namen een voorzichtige, ingetogen start om gaandeweg aan te zwellen met violen, cello en slide gitaar, zonder afbreuk te doen aan de voortreffelijke zang van frontman Kaspar Kaae wiens licht melancholische timbre soms aan Ryan Adams deed denken. “Another Year” mondde zelfs uit in een zinderende banjo apotheose die op luiden kreten en met voetengestamp in de zaal onthaald werd als betrof het een nummer van het populaire Mumford And Sons. Cody speelde in eigen land al in het voorprogramma van The National, Bonnie Prince Billy en Tindersticks, maar het moment dat dit gezelschap volledig op eigen benen staat is niet meer veraf.

The Kissaway Trail
Met hun titelloze debuutalbum deed The Kissaway Trail drie jaar geleden al aardig wat stof opwaaien in binnen - en buitenland. Toen al vielen muzikale referenties als Arcade Fire en Mercury Rev niet uit de lucht en stonden frontmannen Thomas Fagerlund en Sören Corneliussen zelfs mee aan de wieg van de harmonieuze samenzang die later zou in zwang zou geraken.
Opvolger ‘Sleep Mountain’ deed hen naar een eigen zeggen erg lange tour uiteindelijk ook in Brussel belanden, en dat was er duidelijk aan te horen. Vrij routineus haspelde het viertal hun nummers er door, waarbij vooral het gebrek aan afwisseling steeds meer begon te storen. Aan de intrinsieke kwaliteit van nieuwe nummers als “Beat Your Heartbeat”en “SDP”valt op zich weinig af te dingen, maar live overschaduwde de bombast teveel het psychedelisch vernuft ervan. Als ze wat frisser voor de dag komen heeft The Kissaway Trail zeker heel wat meer in haar mars.

Efterklang

Een pak luchtiger ging het er aan toe bij Efterklang, te luchtig zelfs. Net zoals hun voorgangers leek ook dit sympathiek gezelschap een wat vermoeide en uitgebluste indruk na te laten. Een kleine ramp eigenlijk, want met het begin dit jaar verschenen ‘Magic Chairs’ heeft Efterklang nochtans een pak tijdloze songs (“I Was Playing Drums, “Modern Drift”) in de aanbieding waarmee ze moeiteloos de rest van de klas naar huis zouden kunnen spelen. Nog een geluk dat de groep van de flamboyante frontman Casper Clausen tijdens “Full Moon” aangevuld werd met het strijkers sextet Efterkids uit Sint-Agatha-Berchem, veruit het hoogtepunt in een voor de rest wat slappe set die dus niet het hoogtepunt bracht wat van een headliner nochtans zou mogen verwacht worden.

Waarmee we uiteindelijk toch weer belanden bij de vraag die we ons bij het begin al stelden: moet Spot On Denmark volgend jaar niet opnieuw resoluut de kaart trekken van het jonge, aanstormende talent?

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Steve Wynn

Steve Wynn imponeert (alweer) voor een select publiek

Geschreven door

Steve Wynn & The Miracle 3 - Sterren komen sterren gaan, alleen Steve Wynn blijft bestaan. In een betere wereld hijst deze sympathieke Californiër zich moeiteloos naast zijn grote voorbeelden Chilton, Reed en Young, maar in werkelijkheid lijkt hij wel voor eeuwig en altijd veroordeeld tot een bescheiden rol in het clubcircuit. En laat bescheidenheid nu net Wynn’s grootste deugd zijn, ondanks een indrukwekkende staat van dienst als frontman van het invloedrijke The Dream Syndicate en als bezieler van de virtuoze vriendenclubjes Danny & Dusty, Gutterball en The Baseball Project. Wynn heeft een aantal introspectieve jaren achter de rug waar zijn beste vriend een akoestische gitaar bleek te zijn, maar omdat afwisseling een mens nu eenmaal scherp houdt kreeg de volume knop op zijn nieuwste werkstuk ‘Northern Aggression’ een ferme ruk naar rechts. Bovendien haalde hij ook The Miracle 3 terug van stal, zijn oude vertrouwde begeleidingsband gebouwd naar het robuuste model van Crazy Horse. Voor het Belgische luik van hun jongste Europese tour kozen Steve Wynn & The Miracle 3 naast de club vibe van de 4AD ook voor de kosmopolitische sfeer van de Botanique waar uw verslaggever present tekende.

In laatste instantie werd het optreden verhuist van de Orangerie naar de kleinere Rotonde, en daar zal de ronduit magere opkomst van ca. 100 kale(nde) grijze(nde) mannen ongetwijfeld wel voor iets tussen hebben gezeten. Wynn maakte echter van de nood een deugd en gebruikte de intimiteit van de zaal om moederziel alleen de set te openen met “When You Smile”. Veel tijd kreeg het publiek echter niet om van dit onvervalst kippenvelmoment na te genieten, want toen meteen daarna The Miracle 3 vanuit de coulissen verscheen werd prompt een bevlogen “Halloween” ingezet. Met deze twee Dream Syndicate classics op rij lijkt Wynn anno 2010 heel uitdrukkelijk te willen verwijzen naar de sixties geïnspireerde artrock uit zijn beginperiode, en wie er de hoes van het jongste album ‘Northern Aggression’ op naslaat zal de psychedelische elementen wellicht niet ontgaan zijn. Na drie decennia muzikale omzwervingen lijkt de cirkel hiermee rond voor Wynn. Nieuwe nummers als “No One Ever Drowns” en “Colored Lights” kennen dezelfde rusteloosheid als vele pareltjes uit The Dream Syndicate catalogus en klinken dus tegelijkertijd fris en vertrouwd.
Ook Wynn zelf ziet er opmerkelijk fris uit. Of zijn vaste levensgezellin en Miracle 3 drumster Linda Pitmon hier voor iets tussen zit laten we graag in het midden, maar het was in ieder geval wel opvallend dat de kwieke vijftiger in los houthakkershemd er bijzonder jeugdig bijliep zo zonder zijn eeuwig zwart kostuumpje.
Ook aan het indrukwekkend hoge tempo van de set was te merken dat Wynn een zoveelste nieuwe adem heeft gevonden, en eens hij in zijn indrukwekkende back-catalogue begint te graaien kan de pret voor de die-hard fans natuurlijk niet meer op. The Miracle 3 hield de sfeer luchtig op de meezingers van dienst “Shelley’s Blues Pt. 2” en “Cindy It Was Always You”, of duwde ongenadig hard op het gaspedaal tijdens de gemene rootsrockers “Death Valley Rain” en “Southern California Line” uit het monumentale dubbelalbum ‘Here Come The Miracles’ (2001).
Absoluut hoogtepunt blijft echter het kaleidoscopische “The Deep End” waar Wynn zowel tempo als volume naar beneden haalde. Tijdens deze sleper werd de Rotonde langzaam bedolven onder een psychedelisch klanktapijt en kreeg de afgemeten slidegitaar van Jason Victor de hoofdrol toebedeeld. De Paisley Underground classic “That’s What You Always Say” en het punky en bijzonder strakke “Amphetamine” zetten een voorlopig (orgel)punt achter het eerste deel van de avond.
Ondanks hun beperkt aantal produceerden de aanwezige concertgangers toch ruim voldoende decibels om Wynn & co tot twee maal toe tot encores te verleiden. De eerste bisronde werd afgetrapt met het fraaie nieuwe “Resolution” waar The Miracle 3 enige affectie voor de avant-garde noise van Sonic Youth niet onder stoelen of banken stak.
Hét orgelpunt van de avond stond echter in teken van de recente reissue van The Dream Syndicate’s tweede album ‘Medicine Show’ (’84) die straks onder elke zichzelf respecterende kerstboom hoort te liggen. Naast het titelnummer behoort vooral “John Coltrane Stereo Blues” uit deze ‘lost classic’ tot de erfenis van de Amerikaanse gitaarrock. De groep bracht woensdag de definitieve versie van het nummer tijdens 15 (vijftien!) spannende minuten waarin Victor en Wynn tête-à-tête een gitaarrobbertje uitvochten in onvolprezen Crazy Horse stijl. De adjectieven schieten ons nog steeds te kort om dit muzikaal orgasme te beschrijven, dus laten we het gewoon maar houden op FE-NO-ME-NAAL!

Het optreden werd afgesloten zoals het begon. Wynn verschijnt zonder Miracle 3 alleen terug op het podium en krijgt naar goede gewoonte een lawine aan verzoeknummers naar zijn hoofd geschreeuwd. Uiteindelijk kiest hij voor een breekbare versie van het anders zo onstuimige “Boston” dat ook zonder strakke ritmesectie of gitaarfeedback moeiteloos overeind bleef.
Wij hadden met dat laatste toch wat meer moeite, want vanavond kwam wel heel erg dicht in de buurt van het ultieme optreden. Hard versus zacht, fel versus breekbaar, grappig versus dreigend, het zijn het soort muzikale contrasten waar ondergetekende nu éénmaal voor valt, en Wynn beheerst ze allemaal! De fans hoeven hem gelukkig niet al te lang te missen. Op 25 januari komt de sympathiekste aller songwriters in alweer een andere gedaante afgezakt naar Mechelen voor een akoestische set met zijn old buddy Chris Cacavas. De meeste nieuwjaarsrecepties zijn dan al achter de rug, dus met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal deze grijzende jongen met een grote grijns terug van de partij zijn.

Organisatie: Botanique, Brussel

Pagina 421 van 498