Voor de finaledag van de tweede editie van het Belgische luik van het Crossing Border Festival diende de Antwerpse Arenbergschouwburg opnieuw als locatie en omkadering. Maar in tegenstelling tot vorig jaar hing nu geen bordje met opschrift ‘Uitverkocht’ aan de deur. Eén van de redenen is wellicht dat de organisatie dit jaar niet de grote muzikale hypes van het moment heeft kunnen strikken (in 2009 prijkten op de affiche onder meer Mumford & Sons die met hun ‘Little Lion Man’ op de radio brokken maakte en de alternatieve superformatie Monsters of Folk die een exclusief concert kwamen geven).
Maar om het op zijn Cruijffiaans uit te drukken: “Ieder nadeel heb zijn voordeel”. Aldus kon men gemakkelijker van de ene naar de andere zaal gaan zonder te moeten vrezen voor gesloten deuren te komen staan. Ook de rijen wachtende aan de bar of bij de eetkraampjes waren dit jaar opmerkelijk korter. En misschien nog het belangrijkste: zonder de nieuwste muzikale snoepjes van de maand te programmeren, was men er toch in geslaagd het publiek een bijzonder interessant programma voor te schotelen.
Dit jaar hadden de recensenten van Musiczine zich voorgenomen om eens wat meer tijd door te brengen bij de schrijvers, dichters en vertellers, alsook bij de minder gekende bands. Een literaire en muzikale ontdekkingstocht diende zich dus aan met alle risico’s van dien. Want zoals op een festival als Pukkelpop werd men vaak verplicht te kiezen tussen een drietal optredens of interviews en was de kans niet ondenkbeeldig dat men nu net dé ontdekking van het festival misliep.
De avond begon voor ons in The Hideout, bij John Cooper Clarke (***). Deze punkpoëet uit Salford (Manchester) kwam aan het einde van de jaren ‘70 samen op met de punkbands uit die streek en deed met zijn spoken word performances dikwijls het voorprogramma van onder meer Buzzcocks, The Fall, Joy Division en Siouxsie & the Banshees. De man, 61 ondertussen, heeft nog altijd zijn vogelnestkapsel en brengt vandaag iets tussen poëzie en stand up comedy (“If Jesus was a Jew, how come he had a Spanish Name?”).
Clarke was niet altijd duidelijk te verstaan, vond zichzelf bijzonder grappig maar overtuigde toch door zijn performance en flow die wel iets van de Beat poets had. Afsluiten deed hij natuurlijk met ‘Evidently Chickentown’. Hierbij een fragmentje omdat het zo goed blijft:
“the bloody pies are bloody old
the bloody chips are bloody cold
the bloody beer is bloody flat
the bloody flats have bloody rats
the bloody clocks are bloody wrong
the bloody days are bloody long
it bloody gets you bloody down
evidently chicken town”.
Snel over naar de Zona Rosa, of de grote zaal, en naar Red Eyed Fly waar respectievelijk Villagers en Field Music acte de présence gaven.
Afgelopen zomer stond de Ierse band Villagers (****) ook op Pukkelpop maar daar hebben we ze jammer genoeg gemist. Villagers met als spilfiguur zanger-liedjesschrijver Conor O’Brien brachten dit jaar hun debuut ‘Becoming a Jackall’ uit en sleepten ook een nominatie in de wacht voor de Mercury Prize, en dit in het gezelschap van bands zoals The XX, Foals en Mumford & Sons. O’Brien vertoont een totaal gebrek aan rock ’n roll attitude (in plaats van leren jack of strakke pak staat hij gewoon in zijn doordeweekse pullover te rocken) maar deze man heeft dat ook niet nodig als je songs hebt zoals “Becoming a jackall” en een stem die lichtjes naar Feargal Sharkey neigt. De band van O’Brien was heel sterk en het publiek gaf dan ook een oververdiend luid applaus na de korte set van dit Ierse vijftal.
Field Music (***1/2) uit het Britse Sunderland bestaat onder meer uit de broertjes David en Peter Brewis (deze laatste nog ooit actief bij The Futureheads). Ligt het aan het amalgaam aan stijlen of het feit dat ze een echte radiohit ontberen, feit is dat op de meeste radiozenders deze groep links gelaten wordt (met uitzondering misschien van het bijzonder sporadisch gedraaide “Them That Do Nothing”). Volledig ten onrechte want hun recentste derde plaat (‘Field Music (Measure’) – een dubbelaar trouwens - is opnieuw bijzonder goed en bulkt van de inspiratievolle, gevarieerde songs. We waren dan ook bijzonder opgetogen dat we Field Music live aan het werk konden zien en ontgoochelen deden ze totaal niet.
Opener “Give It Lose It Take It” zette de toon voor de rest van de set: aan tempowisselingen geen gebrek. “Effortlessly” bevond zich in het straatje van The Posies om naar het einde toe stevig uit te halen. “See You Later” begon erg zachtjes met een piano-intro en een sloom gitaarlijntje om geleidelijk aan expressief uit te monden in een strak gebald progrocknummer. Hoogtepunten waren het reeds vermelde “Them That Do Nothing”, met een combinatie van pop en blues, en “Share The Words”.
Er waren nagenoeg geen bindteksten omdat de groep de voorziene speelduur van 45 minuten te kort vond en ze de muziek wilde laten primeren. Verstandige keuze en een mooi concert als resultaat.
Na een bezoekje aan de bar was het tijd voor DBC Pierre (****). Deze Australische schrijver vertelde hoe hij opgroeide in Mexico als rijkeluiszoontje die allerlei kattenkwaad uitstak maar aan lagerwal geraakte toen zijn vader ziek werd en de familie al hun geld verloor door een bankennationalisatie. Peter Finlay (Dirty but Clean Pierre is zijn schrijversnaam) vluchtte toen naar de USA met als enige bezit dollars die zijn meid in de zomen van zijn leren jekker ingenaaid had en verloor zich daar in drugs en gokverslaving. Al deze ervaringen gebruikt Pierre in zijn werk, want zegt hij: “Je schrijft best over wat je het best kent, ook al zijn mijn boeken niet autobiografisch”.
In 2003 werd zijn debuut ‘Vernon God Little’ bekroond met de Booker prize. ‘Vernon God Little’ gaat over een jonge knaap die ten onrechte van een school shooting à la Columbine beschuldigd wordt. Eigenlijk is dit boek een satire op de nefaste invloed van de massamedia en hoe ze buiten de rechtszaal het proces in de dorpstraat voeren.
Pierre’s nieuwste, ‘Lichten uit in wonderland’, heeft als hoofdpersonage een anti-globalist die met een zak cocaïne en het geld van zijn anti-globalistische actiegroep op een hedonistische tocht trekt over Japan en sterrenrestaurants naar Berlijn. Pierre vertelde zondagavond dat dit boek gaat over het failliet van alle ideologieen, het kapitalisme in het bijzonder.
In de grote zaal van de Arenbergschouwburg las op dat moment schrijver, (Gentse) (stads)dichter en theatermaker Peter Verhelst (****) voor uit eigen werk en toonde via rake, prachtig omschrijvende en tot de verbeelding sprekende passages moeiteloos aan dat het programmaboekje van Crossing Border geen woord verkeerd had geschreven door te stellen dat Verhelst vooral wordt geprezen om ‘zinnelijk, poëtisch taalgebruik en bijzonder gevoel voor ritme en klank’.
In diezelfde zaal zagen we aansluitend het Amerikaanse, uit Minnesota afkomstige Low (****) een van dé concerten van de namiddag en avond geven.
Opgericht in 1993 hebben ze zich via acht studioalbums opgewerkt tot een van de voornaamste groepen binnen de zogenaamde ‘slowcore’ scene (trage tempo’s in combinatie met minimalistische arrangementen). In afwachting van nieuw werk volgend jaar werd nu een eigenzinnige terugblik geboden op hun volledige carrière.
Het Mormoonse echtpaar Alan Sparhawk (zang en gitaar) en Mimi Parker (drums, pauken en zang) worden sinds twee jaar bijgestaan door bassist Steve Garrington die het vertrek van Matt Livingston opving.
Hoe traag de songs ook gespeeld werden, nooit sloeg de verveling toe. Integendeel, door de dreigende en opbouwende structuur hielden ze het publiek bij het nekvel vast. Mindere passages hebben we zondag niet gehoord maar onze top 3 was het onverwoestbare “Monkey”, “Canada” en de opener van de set “Lordy” dat door de soberheid op een meer pakkende wijze werd gebracht dan op de EP ‘In The Fishtank’ uit 2001 (een samenwerking overigens met Dirty Three). Ook de nummers waarop Parker meezong en secuur via pauken de nummers extra pakkend en dreigend maakte, zoals bijvoorbeeld tijdens “Silver Rider”, leidden tot kippenvelmomenten.
Wij zijn al jaren fan en dat kan ook gezegd worden van Robert Plant want op zijn meest recente soloplaat ‘Band Of Joy’ covert hij niet minder dan twee nummers van dit trio, namelijk de zonet vermelde “Silver Rider” en “Monkey”.
Nauwelijks bekomen, trokken we naar de reeds aangevangen set van het uit het Engelse Sussex afkomstige Smoke Fairies (****). In dit jonge groepje staan Katherine James en Jessica Davies centraal. Vooral hun prachtige samenzang in combinatie met een naar oude folk (en deels ook blues) verwijzende instrumentatie (door middel van onder meer drums, gitaar, bas en viool) werkt overtuigend en verklaart waarom zij over het kanaal omarmd worden door de muziekpers. Hun debuutplaat ‘Through Low Light And Trees’ mag rekenen op erg positieve recensies en ook in Antwerpen konden nummers als “Erie Lackawanna”, “Summer Fades” en “Hotel Room” op algemene goedkeuring van het publiek rekenen. Etherische schoonheid maar met aardse voedingsbodem.
Ganglians (**), een viertal uit Sacramento, Californië, vallen te situeren tussen Vampire Weekend en Tame Impala, psychedelica met Afrikaanse invloeden en tonnen reverb. De songs konden ons niet volledig overtuigen. Ze kwamen nooit volledig van de grond en nodigen eerder uit tot rustig hoofdknikken. En dat verwacht men niet echt van een psychedelische band.
Kisses (***) betreft een trio uit Los Angeles maar kon perfect doorgaan voor een Scandinavische band à la Peter, Bjorn & John, We’re From Barcelona of The Whitest Boy Alive. Net als die bands koppelen ze perfecte popmelodieën aan vrolijke dancebeats. Vrolijk maar bij momenten ietwat te onschuldig.
De Nederlander Ronald Snijders (****) deed zijn naam als verspreider van het absurdisme alle eer aan en las bijzonder expressief en met een overvloed aan mimiek voor uit zijn eigen performance ‘Verkeerde Benen’. In een mum van tijd had hij het publiek op zijn hand en was de gepaste opwarming voor de Local Natives een feit.
Toen Musiczine enkele weken terug Local Natives (***1/2) aan het werk zag in Lille, werd er in de recensie genoteerd dat de eerste vier nummers te uptempo en te hard werden afgehaspeld en dat er werd gehoopt op een herkansing op Crossing Border. Welnu de set in Antwerpen bleek aan hetzelfde euvel te lijden. De jonge Amerikaanse groep uit LA heeft van samenzang in combinatie met hoekige gitaren en stevige, hyperactieve drumpartijen haar handelsmerk gemaakt – en een vergelijking met Fleet Fowes, Grizzly Bear of Vampire Weekend is nooit veraf – maar tijdens de eerste vier nummers klonk alles te luid en diende hun folkrock die terug te vinden is op hun debuut ‘Gorilla Manor’, aan verfijning in te boeten. Ook hun cover van Talking Heads’ “Warning Sign” gaf geen enkele meerwaarde.
Maar op het moment dat men het idee kreeg dat het een afknapper van jewelste zou worden, viel alles wel in de goede plooi. Er werd onderling vlekkeloos gewisseld van instrumenten en het ging het als een sneltrein richting zinderende finale via nummers als onder meer “Wide Eyes”, “Shape Shifter”, “Airplanes” en afsluiter “Sun Hands”. Aldus mocht het voorlaatste concert van hun uitputtende tournee toch nog als geslaagd beschouwd worden en kan Local Native nu alle aandacht richten op het opnemen van de tweede – moeilijke? – plaat.
Interviewen is een moeilijke stiel. Zelfs als je interessante vragen hebt, is men afhankelijk van de nukken van de verteller.
Soms gaat dat heel vlot, zoals bij Miguel Syjuco (***), een Filippijnse expat die honderduit vertelde over zijn boek ‘Ilustrado’, over de Filippijnse upperclass, hoe hij valse berichten op Wikipedia plaatste voor zijn boek en hoe vuile moppen in de katholieke Filippijnen dienen als uitlaatklep.
Maar er zijn ook ogenblikken dat men echter een ‘interview from hell’ krijgt. Zo beleefde de interviewster van dienst haar ‘Iwein Segers moment’ bij Michael Madsen (****), de Hollywood-acteur die we onder meer kennen van ‘Reservoir Dogs’ (Mr. Blonde) en ‘Kill Bill 2’.
Met zijn platinablonde vrouw en getooid met een cowboyhoed, was Madsen naar Antwerpen gekomen om voor te lezen uit zijn gedichtenbundel ‘American Badass’. De interviewster probeerde betekenissen te vinden in Madsen’s gedichten die er niet waren en werd dan ook op Hollywoodiaanse wijze op haar plaats gezet: “Honey, don’t start about religion or politics”. Onbedoeld grappig, net zoals de afterparty met een Madsen die samen met Sam Cutler (zie hierna) een (of wellicht meerdere?) fles(sen) Slivovitz soldaat maakte en later op de nacht met vier gebroken ribben in het ziekenhuis belandde.
Veel gemoedelijker ging het er aan toe tijdens de babbel met Sam Cutler (***1/2) zelf. In een vorig leven heeft deze 67-jarige Engelsman nog samengewerkt met onder meer Pink Floyd, Alexis Korner, Eric Clapton en Blind Faith, maar het meest zal hij herinnerd worden als tourmanager van The Rolling Stones en de Grateful Dead. Hij heeft zijn memoires te boek gesteld onder de titel ‘You Can’t Always Get What You Want’. Daarin geeft hij onder meer een authentieke blik op de woelige jaren ’60 en wat er gebeurde tijdens het gratis concert dat de Stones gaven in het Amerikaanse Altamont; een concert dat een zwarte bladzijde zou worden in bestaan van de groep omdat een fan neergestoken werd vlak voor het podium en daarbij het leven liet. Cutler liet de groep naar Engeland ‘vluchten’ en bleef zelf in de Verenigde Staten om de zaken af te handelen. Een aangepaste en beloofde vergoeding als dank kwam er nooit en Cutler bleef berooid achter. In tegenstelling tot de Stones zelf …
Cutler bewees in Antwerpen nog steeds een onuitputtelijk vat vol anekdotes te zijn en moest er meermaals op gewezen worden dat zijn voorziene praattijd er op zat en de groep na hem stond te popelen om te soundchecken. Maar zijn verhalen over enkele beroemde drugsdoden als zijnde Jimi Hendrix, Janis Joplin en Brian Jones, alsook de tips hoe men een junkie kan proberen te redden bij een overdosis, wekten zoveel aandacht op dat de niet mis te verstane wenken meermaals in de wind werden geslagen; Het spektakel diende uiteindelijk kordaat maar vriendelijk stilgelegd te worden.
“It’s Only Rock ’N Roll (But We Liked It)”. Net als Spoon (***), die in de grote zaal met glans het einde van hun toernee afsloten. Deze Texaanse indieband heeft een heel kenmerkende metalige sound en klinkt ietwat tegendraads waarbij de zang van Britt Daniel voor het tegengif zorgt. Dat deze formatie niet op grote schaal doorbreekt, kunnen we deels begrijpen want het doorgronden van de weerbarstige songs kost heel wat moeite. Niettemin vormde hun concert een mooie afsluiter in La Zona Rosa.
Om het ogenblik dat Spoon in vol ornaat aan het concerteren was, stond Ed Harcourt (****) er in een kleine ruimte (The Hideout) helemaal alleen voor. Nu ja, dat laatste is relatief te noemen. Harcourt opende solo en pianogewijs met “Lustre”, het gelijknamige nummer van zijn zopas verschenen nieuwe (vijfde) album, en met “Black Dress” (uit ‘Strangers’, 2004). Maar nadien maakte hij gebruik van diverse instrumenten zoals een akoestische (“Church Of No Religion”) en een elektrische gitaar (“Do As I Say Not As I Do”), een banjo en trombone (“I’ve Become Misguided”) of compileerde hij ter plaatse diverse geluiden via een loop machine zodat het leek alsof er een volledige begeleidingsgroep Harcourt kwam vervoegen. We zagen in het verleden creatievellingen als Joseph Arthur en Owen Pallet zich bedienen van deze trukendoos maar ook Harcourt bracht deze oefening tot een prachtig einde. Zo liet hij ook de toeschouwers bijdragen via wolvengehuil in “Heart Of A Wolf”.
Schitterende melodieën overheersten en qua genres en sfeer was er een grote variatie, zoals bijvoorbeeld “Haywired” en “Fears Of A Father” die mooi waren in alle eenvoud versus het losgeslagen, aan Eels verwante “Undertaker Strut” (‘From Every Sphere’, 2003).
Harcourt zocht regelmatig het onmiddellijke contact op met de aanwezigen. Tijdens “Killed By The Morning Sun” ging hij zonder gebruik te maken van enige microfoon vóór het podium postvatten en helemaal op het einde van zijn set slalomde hij rustig en zingend via een oude microfoon, tussen het overwegend zittend publiek.
Harcourt werd met zijn debuutplaat ‘Here Be Monsters’ (2001) genomineerd voor de Mercury Prize en de weg richting sterrendom leek helemaal open te liggen maar toch blijkt hij in onze contreien nog een nobele onbekende te zijn. Of een knap werkstuk als ‘Lustre’ daar veel verandering zal in brengen, betwijfelen we.
In ieder geval bezorgde hij - ondanks dat het kleine podium gerelateerd aan het aantal instrumenten (te) weinig bewegingsruimte verschafte, de aan- en afkondigingen enkele opvallende blunders of tekortkomingen bevatten en Harcourt ook nog eens diende op te boksen tegen verblindende lichten (en wanneer hij vroeg om deze wat te dempen, vervolgens in gehele duisternis werd gehuld) - de tweede editie van Crossing Border een fantastische en bijwijlen beklijvende finale.
We houden nu al rekening met enige marge in onze agenda voor de volgende editie van deze aanbevelingswaardige formule.
Setlist Ed Harcourt: Lustre, Black Dress, Church Of No Religion , Do As I Say Not As I Do, Haywired, God Protect Your Soul, I’ve Become Misguided, Killed By The Morning Sun, Lachrymosity, Heart Of A Wolf, Undertaker Strut, Shadowboxing, Fears Of A Father, This One's For You, Until Tomorrow Then
Organisatie: Crossing Border ism Arenbergschouwburg, Antwerpen