logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Search results (15390 Items)

Les Paradis Artificiels 2010: Crookers, The Subs en The Prodigy

Geschreven door

Het Britse The Prodigy staat terug vooraan in de linie binnen de dance, die het doen met een liveband. Het raverockende trio Howlett (productionele brein achter Prodigy btw), Maxim R en Keith Flint klonken even strijdvaardig als in hun roemrijke jaren, midden de jaren ’90. Platen als ‘Experience (92)’, ‘Music for the Jilted Generation (’94)’ en ‘Fat of the land (’97)’ en de singles “Out of space”, “Voodoo people”, “Poison”, “No good”, “Smack my bitch up”, “Breathe” en “Firestarter” zijn in ons geheugen gegrift. Hun sound wordt omschreven als een hardcore rave van breakbeats, bonkende en ronkende basses, scherpe gitaren en industrial, onder vlijmscherpe schreeuwerige zegraps.
Ze legden alvast de ‘fond’ van de huidige house, techno en elektroscene, gaven de aanzet naar de Bonzai toestanden en waren alvast de wegwijzer naar de dubstep en dance van Partyharders, Justice, The Bloody Beetroots, Boys Noize, Fake Blood, Sound Of Stereo, Shameboy en de supports van vanavond The Subs en Crookers.
Na een stuurloze comeback ‘Always outnumberd, Never outgunned’ in ’94, chaotische, lome tegenvallende livegigs (btw ze willen nu (terecht) die tumultueuze periode achter zich laten) zijn de ‘real warriors of dance’ alive & kicking met de ‘Invaders must die’ plaat.

De drie heren stonden er als vanouds mét band (aangevuld met een drummer en een gitarist) op het podium en plaatsten de oude hits netjes binnen het nieuwe. Resultaat was een grandioze party en een overweldigende set door de opzwepende beatsalvo’s, mokerslagen van drums, scherpe gitaarriffs en fel, verbeten raps en schreeuwerige vocals. Genadeloos … Ook nam Maxim R het voortouw tav Flint, die op die manier (terecht) wat minder in de picture stond. Een goede zet om niet te ontsporen in een chaotisch declamerende brij, ondanks het feit dat we houden van mans “Breathe” en “Firestarter”.
Ze fokten hun publiek op, palmden het in en scheurden over hen heen als razende Formule 1 rijders. We waren vorig jaar al onder de indruk toen ze hun comeback en verve inluidden op Rock Werchter en in Vorst Nationaal. Nu, een goede vijf maand later schieten ze nog altijd met scherp. Ook de lightshow mocht er best wezen: enorme lichtbundels, lampen, stroboscoops en lichtflitsen vlogen in het rond, een ‘fake’ Star Wars of Battlestar Galactica oorlogsscène …
Het tempo lag uitermate hoog , enkel de intermezzo’s brachten ons even op adem, want op elke noot … euh beat … van elke song ging het jonge publiekje uit z’n dak. Springende, dansende gasten, golvende bewegingen, klappende handen, het was mooi om aan te zien in een volgepakte Zénith! En in de nummers waren er de geniale adrenaline vondsten als “Bring some fxx noise”, “Fight the power”, “Fxx moving” en “Fxx that noise”. “Worlds on fire” trok de boel en de party op gang en legde de lat hoog. Tweede in de rij was “Breathe”, die voor verhitte temperaturen zorgde. En op die manier wisselde Prodigy nieuw met oud af en hield het tempo strak. Een opwindende “Omen”, “Poison”, “Warriors dance” en een aangepaste dubversie van “Thunder” volgden. Schurende gitaren kwamen in de daaropvolgende songs nog wat olie op het vuur gooien en hitsten het geheel nog meer op, wat me deed denken aan de muzikale avonturen van Atari Teenage Riot; “Firestarter” en een weird klinkende “Run with the wolves” gingen richting anarchopunk.
Na deze helse rit kwam de factor herkenbaarheid met “Voodoo people”, de toegankelijke, bezwerende, sprankelende hippopdance van “Dieselpower” en een ‘closing final’ met een hard verbeten en felle “Smack my bitch up”. Flint en MaximR maakten rondedansjes en deden iedereen rechtveren. Ook hun huidige housefloorkiller “Invaders must die” paste mooi in het rijtje.

Verschroeiend haalden ze uit in de bis: in “Take me to the hospital” hoorden we een mallemolen van hardcore, house en elektro, “Outta space” leek de ideale StuBru ‘mishmash’ en tot slot kregen we een overtuigende breakbeatende rocksteady van “Their law”, met gierende gitaren op het eind. De drie songs kregen een zwierige draai door het uitgesponnen karakter. Verstomd lieten ze ons achter, en dwongen respect en peace af. Instant klassieker “Babe’s got a temper” zit er daadwerkelijk niet meer bij in hun setlist , maar na deze adembenemende krachtige set is het hen vergeven!

Inleidend op The Prodigy kregen we twee ideale opwarmers Eerst ons eigen The Subs, Jeroen de Pessemier, Wiebe Loccufier en Stefan Bracke. “Kiss My Trance”, “Music is the new religion” en “My punk” en de huidige single “Misubitchi” gingen erin als zoetenbroodjes bij het dansminnende Franse publiek. Ze boekten al puike resultaten op diverse festivals en dance events als I Love Techno, 10 Days Off en Tomorrowland. De beatbastards deden met hun mengeling van electro, house, techno, wave, breakbeats, dancehall en een soort voodootrance de boel ontploffen! Ze haalden de eighties en nineties door de mallemolen; een soort Beats’n’Pieces, ergens tussen Bonzai, Prodigy en Underworld trance.
Inderdaad, een energieke, opzwepende en dynamisch set; het was zelfs zo leuk waardoor de zanger op de apparatuur sprong, het publiek indook en fel tekeer ging op de versie van  Prodigy’s “Breathe”, dat hij er eventjes moest van kotsen! “Funk da shit” …Totally weird!
 
Het Italiaanse danceduo Crookers maken ook furore. Onlangs verscheen de cd ‘Tons Of Friends’, met een heel aardige gastenlijst, die de EP ‘Knobbers’ opvolgt. “Remedy”, “Put your hands on me”, “no security” en “Knobbers” haalden het feestbeest naar boven. De eerste tracks klonken meer bezwerend en refereerden aan Orbital, Sabres of Paradise en Underworld. Zalvende beats en trance die gaandeweg aanstekelijk, groovy en dansbaar werd. De gesampelde voices van de gastenlijst pasten mooi binnen het concept. Ze bouwden de set op en klonken straffer, steviger en zorgden voor een wilde versmelting van retroacid, dubstep/basstunes en elektro. Een uiterst gevarieerde set van het duo, die flarden van hun nummers naadloos aan elkaar regen. Een vreugdevolle party, die de Zénith omtoverde in een housetempel.

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

Les Paradis Artificiels 2010: The Prodigy, Crookers en The Subs

Geschreven door

Het Britse The Prodigy staat terug vooraan in de linie binnen de dance, die het doen met een liveband. Het raverockende trio Howlett (productionele brein achter Prodigy btw), Maxim R en Keith Flint klonken even strijdvaardig als in hun roemrijke jaren, midden de jaren ’90. Platen als ‘Experience (92)’, ‘Music for the Jilted Generation (’94)’ en ‘Fat of the land (’97)’ en de singles “Out of space”, “Voodoo people”, “Poison”, “No good”, “Smack my bitch up”, “Breathe” en “Firestarter” zijn in ons geheugen gegrift. Hun sound wordt omschreven als een hardcore rave van breakbeats, bonkende en ronkende basses, scherpe gitaren en industrial, onder vlijmscherpe schreeuwerige zegraps.
Ze legden alvast de ‘fond’ van de huidige house, techno en elektroscene, gaven de aanzet naar de Bonzai toestanden en waren alvast de wegwijzer naar de dubstep en dance van Partyharders, Justice, The Bloody Beetroots, Boys Noize, Fake Blood, Sound Of Stereo, Shameboy en de supports van vanavond The Subs en Crookers.
Na een stuurloze comeback ‘Always outnumberd, Never outgunned’ in ’94, chaotische, lome tegenvallende livegigs (btw ze willen nu (terecht) die tumultueuze periode achter zich laten) zijn de ‘real warriors of dance’ alive & kicking met de ‘Invaders must die’ plaat.

De drie heren stonden er als vanouds mét band (aangevuld met een drummer en een gitarist) op het podium en plaatsten de oude hits netjes binnen het nieuwe. Resultaat was een grandioze party en een overweldigende set door de opzwepende beatsalvo’s, mokerslagen van drums, scherpe gitaarriffs en fel, verbeten raps en schreeuwerige vocals. Genadeloos … Ook nam Maxim R het voortouw tav Flint, die op die manier (terecht) wat minder in de picture stond. Een goede zet om niet te ontsporen in een chaotisch declamerende brij, ondanks het feit dat we houden van mans “Breathe” en “Firestarter”.
Ze fokten hun publiek op, palmden het in en scheurden over hen heen als razende Formule 1 rijders. We waren vorig jaar al onder de indruk toen ze hun comeback en verve inluidden op Rock Werchter en in Vorst Nationaal. Nu, een goede vijf maand later schieten ze nog altijd met scherp. Ook de lightshow mocht er best wezen: enorme lichtbundels, lampen, stroboscoops en lichtflitsen vlogen in het rond, een ‘fake’ Star Wars of Battlestar Galactica oorlogsscène …
Het tempo lag uitermate hoog , enkel de intermezzo’s brachten ons even op adem, want op elke noot … euh beat … van elke song ging het jonge publiekje uit z’n dak. Springende, dansende gasten, golvende bewegingen, klappende handen, het was mooi om aan te zien in een volgepakte Zénith! En in de nummers waren er de geniale adrenaline vondsten als “Bring some fxx noise”, “Fight the power”, “Fxx moving” en “Fxx that noise”. “Worlds on fire” trok de boel en de party op gang en legde de lat hoog. Tweede in de rij was “Breathe”, die voor verhitte temperaturen zorgde. En op die manier wisselde Prodigy nieuw met oud af en hield het tempo strak. Een opwindende “Omen”, “Poison”, “Warriors dance” en een aangepaste dubversie van “Thunder” volgden. Schurende gitaren kwamen in de daaropvolgende songs nog wat olie op het vuur gooien en hitsten het geheel nog meer op, wat me deed denken aan de muzikale avonturen van Atari Teenage Riot; “Firestarter” en een weird klinkende “Run with the wolves” gingen richting anarchopunk.
Na deze helse rit kwam de factor herkenbaarheid met “Voodoo people”, de toegankelijke, bezwerende, sprankelende hippopdance van “Dieselpower” en een ‘closing final’ met een hard verbeten en felle “Smack my bitch up”. Flint en MaximR maakten rondedansjes en deden iedereen rechtveren. Ook hun huidige housefloorkiller “Invaders must die” paste mooi in het rijtje.

Verschroeiend haalden ze uit in de bis: in “Take me to the hospital” hoorden we een mallemolen van hardcore, house en elektro, “Outta space” leek de ideale StuBru ‘mishmash’ en tot slot kregen we een overtuigende breakbeatende rocksteady van “Their law”, met gierende gitaren op het eind. De drie songs kregen een zwierige draai door het uitgesponnen karakter. Verstomd lieten ze ons achter, en dwongen respect en peace af. Instant klassieker “Babe’s got a temper” zit er daadwerkelijk niet meer bij in hun setlist , maar na deze adembenemende krachtige set is het hen vergeven!

Inleidend op The Prodigy kregen we twee ideale opwarmers Eerst ons eigen The Subs, Jeroen de Pessemier, Wiebe Loccufier en Stefan Bracke. “Kiss My Trance”, “Music is the new religion” en “My punk” en de huidige single “Misubitchi” gingen erin als zoetenbroodjes bij het dansminnende Franse publiek. Ze boekten al puike resultaten op diverse festivals en dance events als I Love Techno, 10 Days Off en Tomorrowland. De beatbastards deden met hun mengeling van electro, house, techno, wave, breakbeats, dancehall en een soort voodootrance de boel ontploffen! Ze haalden de eighties en nineties door de mallemolen; een soort Beats’n’Pieces, ergens tussen Bonzai, Prodigy en Underworld trance.
Inderdaad, een energieke, opzwepende en dynamisch set; het was zelfs zo leuk waardoor de zanger op de apparatuur sprong, het publiek indook en fel tekeer ging op de versie van  Prodigy’s “Breathe”, dat hij er eventjes moest van kotsen! “Funk da shit” …Totally weird!
 
Het Italiaanse danceduo Crookers maken ook furore. Onlangs verscheen de cd ‘Tons Of Friends’, met een heel aardige gastenlijst, die de EP ‘Knobbers’ opvolgt. “Remedy”, “Put your hands on me”, “no security” en “Knobbers” haalden het feestbeest naar boven. De eerste tracks klonken meer bezwerend en refereerden aan Orbital, Sabres of Paradise en Underworld. Zalvende beats en trance die gaandeweg aanstekelijk, groovy en dansbaar werd. De gesampelde voices van de gastenlijst pasten mooi binnen het concept. Ze bouwden de set op en klonken straffer, steviger en zorgden voor een wilde versmelting van retroacid, dubstep/basstunes en elektro. Een uiterst gevarieerde set van het duo, die flarden van hun nummers naadloos aan elkaar regen. Een vreugdevolle party, die de Zénith omtoverde in een housetempel.

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

FM Belfast

How to make friends

Geschreven door

Uit IJsland zijn ze afkomstig het leuke electrokwartet FM Belfast … en ze hebben meteen vrienden gemaakt met hun debuutplaat. Het kwartet draait rond de stemmen van Loa Hlin Hjolmtysdottir en Runar Hlödversson, die vocaal refereren aan Roisin Murphy en het duo Els – Danny van Vive La Fête.
We horen binnen die popelektronica lekker wegdromende en hitgevoelige dance/electro, die af en toe eens durft te ontregelen.
Ze voegen flarden bekende pophits toe in de intens broeierige, zuigende nummers. Openers “Frequency” en “Underwear” werken aanstekelijk op de dansspieren door de groove; ze gaan dan over in een spaarzaam gehouden “I can feel love” of ze gaan de ‘80’s electro achterna met songs als “Lotus” en “Optical”. Ook overtuigen ze met en traag slepende minimale “Pump up the jam” van Technotronic. Het afsluitende “President” klinkt intrigerend en brengt al de variaties van de vorige songs samen en heeft een venijnig, repeterende opbouw. Mooi, leuk plaatje dus.

Definitivos

Courtrai Tonight

Geschreven door

Eind jaren 70 stond Kortrijk, lang voor Ozark Henry, Balthazar, Gessman, Goose en Steak nr8, reeds op de fameuze Belgische muziekkaart. De jonge snaken Frank Holvoet en Marnik Den Hert konden met moeite hun gitaar en bas vasthouden, maar ze hadden zeker kaas gegeten van wat punk was en nog steeds is. Frank schreef al nummers en ze modderden wat aan tot ze drummer Rik Masselis leerden kennen. Rik had al zijn sporen verdiend in the scène en wat ze nog nodig hadden was een real wild one: Luciente. Ze werden heel snel local heroes en Johan Clarysse sleurde hen de studio in. De rest is geschiedenis: Voorprogramma van o.a. DAF, versterkt door Peter Coppens  werd Definitivos heel snel een begrip, zeker in de alternatieve circuits.
Van Noord Frankrijk tot en met de Melkweg in Amsterdam. Met hun 150 tot 200 optredens per jaar kon de grote doorbraak niet uitblijven. Maar ..winsten werden vooral geïnvesteerd in booze en Griekse restaurants en Peter en Lucien moesten het veld ruimen voor Dominique Decandt en een zekere Philippe Decoene…
Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Onderhuids bleek Defintivos nog steeds verder te leven in vele juist gestemde Kortrijkse en andere zielen. Ludo Halsberghe begon een fanclub op FB en had alras door dat het geen grap was. Iedereen  wilde blijkbaar ‘Lucien back on stage’. 
Het enige wat erop zit is dan een schitterende cd uitbrengen, en daar zijn ze met verve in geslaagd. Men zette de alom gekende  Serge Feys achter de knoppen voor een heuse remastering zonder de typische sound en spirit van die tijd te verliezen, men neme de klassiekers “The modern Dance”, “Mr C” en “Courtrai tonight’, men neme een zeven tal ijzersterke nummers die nooit op hun doorbraak-lp gekomen zijn – lees onuitgegeven materiaal - , en men geve als toemaat nog enkele live-registraties. Op die manier valt er best te capteren hoe energiek, goed en sterk die kerels wel waren, en hoe ze de tijd des tand weergaloos hebben doorstaan.
We horen uiteraard nog die typische eighties-sound (een beetje Red Zebra, ja, uit dezelfde lichting en studio), maar godzijdank heeft Definitivos niet alles hergoten of heropgenomen en zo hun eigenheid en sterkte verloren.
Definitivos is terug van nooit weg  geweest.
Ohja, Je kan Courtrai Tonight bestellen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

The Radio Dept

Clinging To A Scheme

Geschreven door

The Radio Dept. zijn een trio uit Zweden die het met hun derde CD ‘Clinging to a scheme’ wel eens helemaal zouden kunnen maken.
Na jarenlang ploeteren in de underground wordt dit deze heren dan ook van van harte gegund.
Sinds Sofia Coppola twee van hun nummers gebruikte in ‘Marie Antoinette’ zijn dan ook alle spotlights op deze drie Zweden gericht en werd van deze CD zowaar een klein meesterwerkje verwacht.
Ze hebben er wel hun tijd voor genomen want hun vorige release dateert ondertussen al van 2006 maar van een echte geluidsverschuiving is er geen sprake.
Zanger Johan Duncanson zingt nog steeds in zijn typische dromerige sfeer terwijl de muziek het midden houdt tussen shoegaze (af en toe hoor je inderdaad zo’n typisch Slowdive-gitaartje) en dreampop (denk aan Magnetic Fields of  New Order maar dan wel zonder de dansbeat).
De muziek is ook doelbewust rommeliger opgenomen, af en toe hoor je een echte geluidsbrij maar dat is zogezegd enkel bedoeld om het lo-fi gevoel levendig te houden.
’Clinging to a scheme’ is een mooie plaat geworden die per luisterbeurt blijft groeien ook al moeten we er aan toevoegen dat een plaat waarop men vier jaar moest  wachten best iets langer mocht duren, maar voor de rest geslaagd!

The Drums

Summertime EP

Geschreven door

De sneeuw is nu met alle zekerheid het land uit, de eerste zonnestralen bereiken ons en er wordt al luidop gedroomd over een zwoele zomer met barbeques en strandfeestjes. Onder die vrolijke wind komt er nu een band die dat gevoel alleen maar versterkt heeft. Ze komen uit Brooklyn en heten The Drums. Misschien u wel bekend van “Let’s Go Surfing”, het liedje waar ze nu furore mee maken. Bewust simpel gehouden, maar desondanks dat feit, loopt u de rest van de dag het refrein na te fluiten. Herinnert u zich nog Peter, Bjorn en John met “Young Folks”? Een aha-erlebnis van jewelste! “Let’s Go Surfing” gaat evenwel niet zo snel vervelen, net als de andere surfrock op deze plaat, samen met wat eightiespop.
The Drums brengen de meest zomerse nummers op hun EP met de nogal toepasselijke naam ‘Summertime!’. We zien spontaan de golven voor de Californische kust waar een bende jongeren uitgerust met surfplanken naar toe rent. “Saddest Summer” is ondanks de titel nog zo’n voorbeeld, samen met “Submarine” en “I Felt Stupid”. Wie nog een nummer wil meefluiten op deze EP verwijzen we door naar “Make You Mine”.
Kortom, een heerlijke EP. Wij dromen ondertussen nog wat weg in afwachting van de zomer.

Amy Macdonald

A curious thing

Geschreven door

Eén van de grootste zomerhits was “This is the life” van de jonge Schotse singer/songschrijfster Amy Macdonald. De grootste solohit voor een vrouwelijke artieste! Het zorgde ervoor dat ze meteen naam en faam maakte en maar liefst drie miljoen exemplaren verkocht van haar debuut, die aanstekelijke, meeslepende, frisse en sfeervolle poprockfolk bevatte. Niks nieuws onder de zon, maar het werkte .. en het werkte goed.
De opvolger werd opgenomen in de studio’s van Paul Weller, die zelfs een handje meehielp. De songs zijn meer rock, minder folk, en ze haalt vocaal ook minder uit. Alles klinkt meer gematigd, komt op die manier op z’n plooi en biedt een coherente afwisselende plaat, zonder veel tierlantijntjes.
Af en toe durft onze lieftallige dame zelfs nog steviger, luchtiger en uitbundiger te klinken; de openers “Don’t tell me that it’s over” en “Spark” springen meteen in het oog. “Love Love”, “Ordinary life” en “Next big thing” hebben een broeierige, spannende opbouw. En ze wisselt een rocker met een sfeervolle popsong af, die door akoestische gitaar, toetsen of strijkarrangement kleur en intensiteit krijgen, zoals bij “No roots”, “Give it all up”, “My only one” en “Troubled soul”. Een emotievolle “What happiness means to me” op piano sluit de gepolijste melodieuze plaat af. Als toetje krijgen we iets verderop nog een akoestische “Dancing in the dark” van Bruce te horen.
De ‘Mrs rock’n’roll’ heeft alvast een volwaardige tweede plaat uit die weldegelijk naast het debuut kan staan door het meer pop- en rockgehalte.

Clare & The Reasons

Arrow

Geschreven door

De sprookjes van Grimm …Elfjes dansen in het rond … De zondagse aperitief … Lekker wegdromen bij de avondzon of de ideale ‘Morgenstemming’ plaat …Een ongedwongen, losse sfeer creëert het duo Clare Muldaur en Oliver Manchon.
We horen op hun tweede plat ‘Arrow’ sfeervolle, dromerige composities die minimaal, spaarzaam worden begeleid of een breed instrumentarium (strijkers, blazers, flutes, piano, toetsen) toegewezen krijgen. De melodieuze rijkdom, de subtiliteit en de finesse staan duidelijk voorop bij de muzikale familie Manchon – Maudaur, want Clare haar ouders zweren trouw bij de traditionele wortels van jazz en blues. Dochterlief houdt bij de pop en brengt een relaxte, gevarieerde sprookjesplaat. Met alles erop en eraan, met zwermen ‘birds & bees’ om ons heen.
Leuk en fijn klinken de songs, luister maar eens naar “All the wine”, “Ooh you hurt me so”, “You getting me”, “This is the story of” en “Perdue a Paris”. De Genesis cover “That’s all” overtuigt door de blazers. Af en toe is er een vleugje elektronica mee gemoeid, maar dat nemen we er graag bij in het droomlandschap van Clare & The Reasons.

Joe Bonamassa

Black Rock

Geschreven door

Op ‘Black Rock’ wordt het nog eens pijnlijk duidelijk: Bonamassa is een gitarist, geen songschrijver. Enkele keren waagt de man zich aan het verwerken van Griekse invloeden in zijn bluesrock. Geen goed idee, blijkt, “Quarryman’s lament” en “Bird on a wire” (totaal verneukte Leonard Cohen cover) zijn slijmballen van songs waarvan onze tenen serieus beginnen te krullen. De sirtaki-blues is vooralsnog dus geen optie, een duet tussen John Lee Hooker en Zorba De Griek zouden wij eerlijk gezegd ook nooit hebben zien zitten.
Verder blijft Bonamassa wijselijk binnen de lijntjes van de blues kleuren, wat hem ook beter ligt want er komt geregeld soul uit zijn stem en vuur uit zijn gitaar. Toch worden de cliché’s van het genre ook dit keer niet omzeild. Bonamassa heeft wel BB King weten te strikken op “Night life”, maar dat werkt niet echt de originaliteit in de hand, integendeel, de song klinkt zo kenmerkend BB King dat je hem al even gauw terug vergeten bent (wij hebben BB King trouwens altijd al een beetje te braafjes gevonden).
Het album neigt iets meer naar de traditionele Britse blues (John Mayall en consoorten) en wat minder naar de macho power blues die we van Bonamassa geregeld door onze strot krijgen geramd. Om de liefhebbers van dergelijke spierbundelblues toch niet te ontgoochelen : het zit er nog wel degelijk in, maar ’t is een beetje verminderd, u zal dus nadien nog een Walter Troutje moeten opleggen als u zich nog tekortgedaan voelt.
Conclusie : Ook voor Joe Bonamassa geldt wat we van veel artiesten in het genre van de bluesrock kunnen zeggen : qua virtuositeit en muzikaliteit is ‘Black Rock’ dik OK, qua originaliteit valt hier weinig te beleven.

Citay

Dream get together

Geschreven door

‘Dream get together’ is een aangename en dromerige trip doorheen 7 (midel)lange songs. Het gaat van zwevende folk rock a la Midlake tot soms wel southern rock, beetje Allman Brothers zelfs, althans in de bijzondere knappe opener “Careful with that hat” die beladen is met uiterst knappe gitaarsolo’s. Ook in “Secret breakfast”, één van de talrijke instrumentals (zo vet veel wordt er niet gezongen op dit album), wisselen akoestische en elekrische gitaren elkaar boeiend af. Wij horen ingehouden Motorpsycho of prille Pink Floyd (ten tijde van Meddle). Verder mag u het in het straatje gaan zoeken van Dungen, Howlin’ Rain en Comets on Fire. De uitschieter van de plaat is “Hunter”, een geweldige instrumentale song met fijne interactie tussen keyboards en heerlijke gitaren met een bruisende riff er bovenop.
Knap samenspel, zoete melodieën, gelaagde gitaren en soms fluweelzachte vocals, dit is zo een beetje het geluid van Citay samengevat. Om lekker in onder te dompelen, deze plaat.

Daniel Johnston

Domino 2010: Daniel Johnston: tussen medelijden en ontroering

Geschreven door

Het Domino-festival kon net als drie jaar terug de levende legende Daniel Johnston op de affiche zetten. Geïnteresseerden kregen in de grote zaal van de Ancienne Belgique een heus avondvullend programma gepresenteerd.
In de vooravond werd ‘The Devil and Daniel Johnston’ op groot scherm geprojecteerd, een documentaire die niemand onberoerd laat. Van jongs af aan bulkte Johnston van creativiteit hetgeen zich uitte in enthousiaste vormen van regisseren, acteren, tekenen, dichten en musiceren. In afwachting van het concert kon men in de AB een dertigtal van ’s mans tekeningen bewonderen.
De immense tragiek van Daniel Johnston schuilt in het feit dat ‘s mans waanzin al iets te vaak zijn talenten overschaduwd heeft. Hij draagt duidelijk de tekenen van zijn jarenlange strijd tegen de duivelse krachten die hij voortdurend meent te moeten bekampen. Het heeft lang geduurd vooraleer men de medicatie gevonden heeft die hem toelaten om relatief normaal te functioneren. Men ziet en hoort dat er tijdens die moeilijke zoektocht aardig wat onherstelbare neurologische schade opgelopen werd.

Tijdens zijn huidige tournee laat Johnston zich bijstaan door het elfkoppige Beam Orchestra. Deze Nederlanders komen de ene keer jazzy uit de hoek, de andere keer klinken ze als een ouderwetse big band en heel soms deed hun sound ons denken aan de vele live-albums die Frank Zappa ons naliet. Wie na die eerste minuten nog dacht dat de muzikale verfijning mogelijks toch nog hoogtij zou vieren, kwam snel bedrogen uit. De rommelige opkomst van Daniel Johnston zette meteen de toon: eerst was hij onverstaanbaar omdat de microfoon niet aangesloten bleek, vervolgens hoorden we hem eventjes veel te luid en toen het geheel wel goed afgesteld was, kon iedereen vaststellen dat hij vocaal nog steeds nergens staat. Ook zijn krakkemikkige gitaarspel is de voorbije jaren niet echt de goede kant op gegaan. De ontroerende overgave waarmee Johnston zijn nummers brengt, zorgt er echter voor dat hij wegkomt met het feit dat hij weinig toonvast is en vaak uit het ritme speelt en zingt (om nog maar te zwijgen over de vele valse noten die hij uit zijn gitaar en strottenhoofd krijgt). Een mens gaat immers niet naar zijn concerten om te kunnen genieten van het puur muzikale maar om getuige te zijn van het ‘curiosum’…..een gedachte die ons in Brussel soms wel met een schuldgevoel opzadelde (iets waar we van verlost geraakten door de gedachte dat deze uitzonderlijke artiest ten volle geniet van het succes dat hem nu te beurt valt).
De grote verdienste van Daniel Johnston ligt in de kwaliteit van zijn songs. Wie deze laatste woorden in twijfel trekt, verwijzen we bij deze naar de in ’04 verschenen tribute plaat ‘The Late Great Daniel Johnstonwaarop o.a. Tom Waits, Beck, Death Cab For Cutie, TV On The Radio en Eels zijn songs coverden.
Een groot deel van zijn liedjes doen, net als de man zelf, kinderlijk aan. Enkele omstaanders geraakten in de AB volledig vertederd en zuchtten zelfs ”zo schattig!” toen ze hem zwaar bevend over het podium zagen struinen in zijn wat slordige trainingsbroek. Zelf voelden we meer dan eens vertwijfeling omdat we heen en weer gesleurd werden tussen medelijden en ontroering. Vooral tijdens “Desperate Dan” (waar zijn begeleidingsband volledig de big band-tour opging en Johnston zich inspande om als een ware crooner te klinken) en “Worried Shoes” (met de twee strijksters in een prominente rol) kregen we samen met velen een krop in de keel.
Na drie kwartier verliet de ster van de avond enkele minuten het podium hetgeen het Beam Orchestra toeliet om enkele uitgebalanceerde arrangementen ten berde te brengen.
Vervolgens trapte Johnston met “Wicked World” de tweede helft op gang waarna het uit ‘1990’ stammende “Devil Town” (over een acid-trip die hij had in Austin, Texas) illustreerde dat hij waarschijnlijk beter “neen” had gezegd tegen drugs. Het hilarische “Walking the Cow” uit het legendarische ‘Hi, How are you?’ kreeg een opzwepende begeleiding van de blazers-sectie die recht uit de STAX-stal leek te komen.
Ook de laatste CD, het onlangs verschenen ‘Is And Always Was’, kwam in ruime mate aan bod. Eén van de hoogtepunten betrof de scheurende versie van “Fake Records of Rock and Roll” waarin de gitaristen voor het eerst een beetje loos mochten gaan.
Op het einde wenst Daniel Johnston het publiek een vrolijk kerstfeest om vervolgens het beklijkvende “True love will find you in the end” in te zetten.

Een eerste bis betrof het solo declameren van een litanie waar we eerlijk gezegd nogal weinig van verstaan hebben. Nadat een aanzienlijk deel van het publiek de zaal reeds verlaten had, keerde hij samen met het voltallige Beam Orchestra terug om “Beatles” te spelen, zijn persoonlijke hommage aan zijn grootste muzikale idolen.

Tussen de documentaire en de passage van Daniel Johnston kreeg Tommigun, het nieuwe project van Thomas Devos (Rumplestitchkin) en Joeri Cnapelinckx (Kawada), de kans om hun debuut-CD aan het grote publiek voor te stellen. Het vijftal deed duidelijk zijn best maar de eerlijkheid gebiedt ons om op te biechten dat ons hoofd na ‘The Devil and Daniel Johnston’ niet naar hun sfeervolle indie-rock stond. Moge ze het ons vergeven! Hopelijk kunnen we hen later dus nog eens aan het werk zien op een meer geschikt moment want in de AB waren we te veel van de kaart om aandachtig te kunnen luisteren naar hun set.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel ikv Dominofestival 2010

Power Prog & Metal Festival 2010 - De laatste grote finale voor de Scorpions!

Geschreven door

PP & M festival 2010 met Scorpions, Pagan’s Mind, DGM, Dreamscape, Adagio, Astra, Do Or Die, Virus IV, Ivanhoe, Max Pie, Pythia, Machine Gun, Anwynn, Burden Of Flesh, No Brain, Haircuts That Kill, T.C.M.F.H.
Organisatoren van traditionele metal en hardrock events hebben het erg moeilijk. Natuurlijk is er bij ons eind juni het grote, befaamde Graspop maar daarnaast is er nog erg weinig voor de doorwinterde metalfan. In eigen land is het wegvallen van het Schwung Festival een erg spijtige zaak. Nederland doet nog slechter want daar kondigde Mojo (Live Nation Nederland) enkele maanden terug aan voor onbepaalde duur te stoppen met het organiseren van metalfestivals. Dus geen Arrow Rock, geen Fields Of Rock, geen Wâldrock noch Sonisphere in 2010. Liefhebbers van het genre moeten noodgedwongen uitwijken naar Zweden (Sweden Rock) of Duitsland (Wacken).
Oorzaken zijn de dalende publieke belangstelling voor het genre maar vooral het ontbreken aan beschikbare headliners. Kenmerkend voor het genre is ook het uitdovende karakter en de steeds ouder wordende grotere namen die wel nog volk kunnen lokken. Anderzijds programmeren de traditionele festivals nu zelf ook maar al te graag metalbands zodat we niet helemaal op onze honger blijven zitten. Een nieuw festival zoals het Power Prog & Metal Festival in Mons ontvangen we dan ook met open armen. Bovendien werd aan deze eerste editie meteen een primeur gekoppeld en mochten de organisatoren met trots het allerlaatste Belgische concert van de Scorpions aankondigen.

Op het Power Prog & Metal Festival stonden naast de Scorpions nog 16 andere bands. De eerste band stond al om 11 uur s’morgens op één van de twee podia. De organisatie was top want over de ganse lijn was technisch alles erg professioneel. Het ganse festival werd met meerdere camera’s gefilmd, de lichtshows waren erg mooi, het ‘time schedule’ werd met precisie aangehouden,…Alleen het erbarmelijke galmgeluid in de blikken Expohal zorgde voor een serieuze domper op dit feestje. Quasi onmogelijk was het om in deze hal een deftig geluid neer te zetten. Met uitzondering van enkele moeilijkere momenten in de set lukte dit bij de Scorpions toch vrij aardig. Alvorens de Scorpions omstreeks 22u30 voor de allerlaatste keer een Belgisch podium beklommen zagen we nog enkele andere bands aan het werk. Helaas moet ik stellen dat het allemaal een beetje eenheidsworst was. Van de zes bands die ik zag, kon jammer genoeg geen enkele band echt uitblinken. Het Italiaanse Astra stond op het podium toen ik aankwam. Degelijke Prog Metal waarbij ik enkele songs uit het schitterende ‘From Within’ herkende. Daarnaast was vooral de slechte klank het meest in het oor springende feit van deze set. Ook zo bij het Duitse Ivanhoe op het kleine podium. Traditionele Progressieve Metal waarvoor ik, ondanks het enthousiasme van zanger Mischa Mang, niet echt warm liep. Het eveneens Duitse Dreamscape maakte dan toch een betere beurt. Hun Progressieve Metal klonk zeer melodieus en hun sound had ook een theatraal tintje. Zeker toen een onbekende zangeres het podium opkwam om samen met Francesco Marino een bloedstollende ballade te brengen. Ook ex-zanger en huidige Ivanhoe frontman Mischa Mang mocht het podium op voor een duet. Het Franse Adagio klonk dan weer iets donkerder en had ook meerdere langdurige orkestrale klassieke stukken in hun composities. Helaas konden ook zij zich muzikaal niet echt onderscheiden, al sloeg de vonk naar de vurige fans wel over. Dan maar hopen op het Italiaanse DGM, dat mij vorig jaar met het sterke album ‘Frame’ eigenlijk wel wist te charmeren. Sterke melodieën, een stevige sound maar uitgezonderd van enkele songs uit ‘Frame’ teveel van hetzelfde. Een band met kwaliteit maar verder was deze eerste kennismaking met het Belgische publiek vooral voor de band zelf een fantastische ervaring.

Tot slot hielden de Duitse hardrockers Scorpions er hun Belgisch afscheidsconcert. De groep heeft een fantastische loopbaan gehad waarbij het meerdere (album)klassiekers op haar naam heeft staan. Velen kijken met weemoed terug naar de beginjaren van de band en zien het meest succesvolle ‘Love At First Sting’ (1984) als hun absoluut meesterwerk. Daarna kwam er een modernisering van hun klassieke sound, wat niet door iedereen werd geapprecieerd. Terwijl de band net het nieuwe ‘Sting In The Tail’ uitbracht kondigde het in eenzelfde adem ook hun afscheid aan. De ‘Get Your Sting And Blackout World Tour’ houdt de band wel nog actief tot in 2013. De Duitse band waarbij frontman Klaus Meine binnenkort 62 jaar wordt gaat op welverdiende rust na een carrière van 45 jaar! Zelf noemen ze het geen afscheid, maar verkiezen ze de formulering ‘de laatste grote finale’. Het festival dat tot dan toe enkel subtoppers kende werd meteen een niveau hoger getild. De Scorpions brachten ook nu weer een sublieme onvervalste hardrockshow. Het gigantische podium, telde verschillende niveaus en was voorzien van een enorme LED wall.. “Sting In The Tail” was de stevige opener van de set. “Bad Boys Running Wild” kort erna zorgde voor het eerste vuurwerk en een overdosis aan luchtgitaren. “The Zoo” en vooral de voortreffelijke instrumental “Coast To Coast” deden ook mij terug hunkeren naar lang vervlogen tijden. Er kwam ook een zeer uitgebreide rustpauze die startte met “Always Somewhere” en eindigde met een schitterende (en gelukkig nog eens de volledige versie!) van “Holiday”. Daarna ging men terug stevig rocken met twee songs uit de nieuwe plaat: “Raised On Rock” en het mooie “The Good Die Young”. Opmerkelijk zoals altijd was ook nu weer de drumsolo van mister Kottak. De ‘Kottak Attack’ verveelde geen minuut en dat is toch wel uitzonderlijk voor een drumsolo. Na al die machotoestanden van Mister Kottak werd het feestje afgesloten met een staalhard “Blackout” en de meebruller van de avond “Big City Nights”.
Natuurlijk werd de band nog eens teruggeroepen voor de meest voorspelbare encorelist aller tijden. “Still Loving You” en “Wind Of Change” zijn ballades die iedereen kent en songs die de Scorpions ook groot hebben gemaakt. Het pedaal werd nog een laatste maal ingeduwd tijdens “Rock You Like A Hurricane”, het echte slotstuk van deze voorspelbare doch wervelende Scorps show.

De eerste editie van dit Power Prog & Metal Festival was best een leuk feestje. Helaas konden de meeste bands niet echt overtuigen maar al bij al waren deze toch leuk om eens live te zien. De Scorpions waren voortreffelijk en maakten zo een middelmatig festival toch nog goed. Laten we hopen dat er volgend jaar een tweede editie komt want naast de vele subtoppers in het genre zijn er in het Prog Metal wereldje ook heel wat echte toppers! See you next year Mons!

Setlist Scorpions:
*Sting In The Tail *Make It Real *Bad Boys Running Wild *Loving You Sunday Morning *The Zoo *Coast To Coast *Animal Magnetism *We’ll Burn The Sky *Always Somewhere *Send Me An Angel *Holiday *Raised On Rock *The Good Die Young *Tease Me, Please Me *321 *Kottak Attack (Drum Spot) *Blackout *Big City Nights
*Still Loving You *Wind Of Change *Rock You Like A Hurricane

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: PP&M Fest

Fuck Buttons

Fuck Buttons: Beautiful noise

Geschreven door

Ondanks twee alombejubelde albums, kon het Engelse duo Andrew Hung en Benjamin John Power, ook bekend als Fuck Buttons, op weinig belangstelling rekenen. Slechts 150 bezoekers waren getuige van een quasi integrale versie van hun laatste wapenfeit 'Tarot Sport', aangevuld met enkele nummers uit hun knappe en zinderende debuut 'Street horrrsing'.

De heren stonden recht tegenover elkaar met hun apparatuur, klaar voor een confrontatie met het publiek. Hun avontuurlijke en hypnotiserende cocktail van electronica, noise, soundscapes/drones en post-rock nodigde de aanwezigen uit tot een bevreemdende en dromerige trip. Invloeden van Wolf Eyes, Suicide, Liars, Black Dice, Boredoms en  Spacemen 3 waren aanwezig, doch niet storend. Er was wel degelijk sprake van een eigen identiteit. Met het gruizige en krakende openingsnummer “Surf solar” kreeg het publiek de indruk dat ze de ruimte in werden geschoten. Het dansbare, gebalde “Rough steez” en de broeierige en atmosferische track “The Lisbon maru” volgden.
De toeschouwers genoten van de pulserende ritmes, tribal beats en zweverige keyboards.
De subtiele, elegante trance van “Olympians” en “Space mountain” stelden de dansspieren op de proef. Met de vervormde, creepy vocalen en knarsende, piepende dreunen van “Sweet love for planet earth” en “Bright tomorrow” werd nog even teruggeblikt naar 'Street horrrsing'.
Sluitstuk van de avond was het uiterst genietbare en epische “Flight of the feathered serpent”.
Minpunt was het volledig ontbreken van contact met het publiek, noch was er sprake van bisnummers.

De kemphanen creëerden één uitgesponnen track, zoals op hun cd's. Het was aan de luisteraars om de toegevoegde waarde ervan te bepalen. Ondergetekende gaf hen het voordeel van de twijfel. Het was aangenaam, maar weinig verrassend. De toekomst zal uitwijzen of ze met hun kleurrijke, sfeervolle klankentapijt ons kunnen blijven boeien …

Organisatie: Kreun, Kortrijk

Karma To Burn

Karma To Burn - Als een wilde bizon

Geschreven door

Na 9 jaren van stilte volgend op hun magnum opus ‘Almost heathen’ is Karma To Burn terug met een vers album ‘Appalachian Incantation’. Het concept is hetzelfde gebleven, titelloze instrumentale heavy rocksongs ergens tussen Sabbath en Kyuss. Niet bepaald een formule om miljoenen platen mee te slijten, maar toch heeft KTB in al die jaren een trouwe horde fans bijeen verzameld. Ook in België, zo blijkt, want Het Depot is toch voor meer van de helft volgelopen voor deze niet voor de hand liggende metal groep.

Karma To Burn raast als een wilde bizon doorheen Leuven. Hun songs zijn rauwe mokerslagen die met brute power inbeuken op de zaal. Het draait allemaal om dreunende en vette riffs (geen solo’s !) met een cruciale rol voor bassist Richard Mullins, die steeds in ware Kim Clijsters spreidstand, met zijn spitse basslijnen de totaalsound van Karma To Burn een enorme boost geeft. Gitarist William Mecum ramt splijtende heavy en stoner- riffs uit zijn instrument en drummer Rob Oswald heeft blijkbaar ook al een vergevorderd stadium van razernij overschreden. Een geweldig trio dus, met een monstersound als gevolg. Vrij indrukwekkend toch hoe een band zonder ook maar één woord te zingen geen seconde weet te vervelen.

In al die tijd dat KTB op non actief stond heeft Mullins trouwens de band Year Long Disaster in het leven geroepen, een band waarmee hij hier zelf voor het voorprogramma zorgt. Bij YLD wordt er wel gezongen en dit nota bene door zanger gitarist Daniel Davis, zoon van Dave Davies van The Kinks. De man zijn strot, en ook het volledige geluid trouwens, doet ons nog het meest denken aan Wolfmother. Enig minpuntje, de zang komt er maar flauwtjes door, alsof de microfoon van dienst weet dat hij een Karma To Burn avond tegemoet gaat en hij dan ook niet bijster veel zal moeten presteren. Toch weet YLD met een weliswaar te korte set te overtuigen. De groep heeft overigens een puik album uit, het heet ‘Black Magic : All mysteries Revealed’, maar U moet liefhebber zijn van Zep, Sabbath en Purple om te kunnen volgen.

Fijne avond. Wij vragen ons wel af hoeveel man (of misschien liever vrouwen) er nodig zijn om bassist Richard Mullins zijn benen na het optreden terug dicht te krijgen.

Organisatie: Depot, Leuven

Band of Horses

Mooie Band Of Horses, maar nét niet magisch

Geschreven door

Net vóór het optreden van onze favoriete Amerikaanse indie band (tegenwoordig opererend vanuit South Carolina) kregen we de kans om een kort interview te houden. Opperhoofd Ben Bridwell werd gereserveerd voor een interview voor Radio 1, terwijl wij de kans kregen om drummer Creighton Barrett en toetsenist Ryan Monroe, enkele vragen te stellen over het nieuwe album ‘Infinite Arms’. Het werd een gemoedelijk, openhartig gesprek waarin beide heren mij afwisselend te woord stonden.
Het nieuwe album kreeg oorspronkelijk de titel ‘Night Rainbows’ mee maar werd al vlug herdoopt in ‘Infinite Arms’. De band is erg trots op deze nieuwe plaat omdat dit het eerste, echte Band Of Horses album is waar de ganse groep aan meewerkte. De songs op de vorige platen werden enkel door Ben Bridwell geschreven, terwijl deze nieuwe schijf een groepssamenwerking is. Iedereen werkte mee aan het songwritergebeuren en bovendien produceerde men de plaat zelf. Wat de groep een zeer bevrijdend gevoel gaf. De songs werden gepend tijdens het vele toeren van de afgelopen jaren, wat de albumsound dan ook weer sterk beïnvloedde. De nieuwe plaat klinkt bij momenten harder als tevoren maar ook de weemoedige, fijne, meerstemmige countryrock composities komen ook nu weer uitvoerig aan bod.
Daarnaast vertelde Creighton heel erg trots te zijn over het feit dat de band straks met Pearl Jam mag gaan touren. Een droom die voor hen in vervulling gaat. Toen ik vroeg wat we die avond konden verwachten zei Creighton me “It’s gonna be a blast!, with classics and many new songs”.

Net zoals twee jaar terug (15/3/2008) was de Botanique in een mum van tijd uitverkocht. De band is op zeer korte tijd onvoorstelbaar groot geworden en daarom is het toch een beetje vreemd dat ze nu opnieuw in de Botanique geprogrammeerd stonden. Ongetwijfeld zou de Ancienne Belgique wel een haalbare kaart geweest zijn. In 2008 durfde ik na het optreden nog stellen dat dit een superband in wording was. Vandaag ben ik voorzichtiger en twijfel ik of Ben Bridwell & co dit Indie wereldje kunnen overstijgen. Algemeen kan ik stellen dat ik te weinig vooruitgang heb gezien en het optreden bijna een kopie leek van twee jaar eerder.

Ook zo voor Ramsey Tyler, vaste gitarist van Band Of Horses, die ons ook deze keer mocht opwarmen.
Had dit akoestische setje van Tyler twee jaar terug nog een duidelijke meerwaarde, deze keer kwamen de songs uit ‘A Long Dream About Swimming Across The Sea’ niet echt tot z’n recht en moeten we dit halfuurtje jammer genoeg klasseren als eerder slaapverwekkend. Het publiek kent natuurlijk ondertussen Tyler als gitarist van Band Of Horses kwam ook al niet veel verder dan een beleefdheidsapplausje.

Even na half tien begon Band Of Horses aan een begeesterende set die ruim 100 minuten duurde. Er werd sterk geopend met “Factory”, dat ook de openingstrack moet worden uit ‘Infinite Arms’. Een zeer melodieuze track waarin de meeslepende gitaarsound bepalend is. Voetenstamper “The Great Salk Lake” botste op herkenning en liet al meteen duidelijk horen dat de band moeiteloos de brug maakt tussen melodie, potige rock en pure melancholie. Tijdens het vrij stevige en korte “The Northwest Appartment” ging de geluidstechnicus even door de bocht en deed deze rocksong onrecht aan door het volume nog wat op te schroeven. Gelukkig zat de geluidsbalans weer op een aanvaardbaar niveau toen “Is There A Ghost?” werd ingezet. Een ingetogen intermezzo volgde met “Infinite Arms”, de Gram Parsons cover “A Song For You” en het superaanstekelijke “Older” (de song komt gelukkig ook op het nieuwe ‘Infinite Arms’!), dat niet door Ben maar wel door toetsenist/gitarist Ryan Monroe werd gezongen. Dat het bijzonder goed klikt tussen Monroe en Bridwell was duidelijk te zien en te horen tijdens de meerstemmige vocale stukken. De twee keken als waren verliefden elkaar in de ogen en vulden elkaar vocaal perfect aan. De onverslijtbare falset stem van Bridwell kwam deze avond toch soms in het gedrang toen hij in de hoogte wou uithalen. De vermoeidheid, het eindeloos toeren zal hier ongetwijfeld de bepalende factor zijn. Toch smeet de band zich tot het einde van de set onverbloemd en genadeloos voor de voeten van het Brusselse publiek. Losgeslagen en toch soms onzeker typeerde de wat slordige podiumprestatie. De mindergeslaagde grapjes (zoals het eindeloos bedanken van Ramsey Tyler om het voorprogramma te spelen) hadden we ook de vorige keer gehoord en verdoezelden enkel dat de band toch nog wat aan speelritme ontbrak. De finale met vooral “Ode To LRC” en de tijdloze Indie klassieker ‘The Funeral’ waren dan weer groots. Het hoogtepunt van de avond was echter “Evening Kitchen”, een akoestische countrypopsong uit het nieuwe ‘Infinite Arms’, dat werd gebracht van op de brug die van de coulissen naar het podium leidde. Een onvergetelijk moment!!

Band Of Horses is een ijzersterke live band. Toch was er twee jaar terug veel meer magie aanwezig en moet ik stellen dat er net iets te weinig vooruitgang is gemaakt richting het grote publiek. De nieuwe songs uit ‘Infinite Arms’ (uit op 17/5 bij Sony/Columbia Rec) doen echter veel goeds verwachten voor de toekomst. De band beloofde ook dit najaar nog terug te komen om dan ongetwijfeld enkele zaken recht te zetten en de nieuwe plaat nog wat uitgebreider te komen voorstellen.

Setlist:
*Factory *The Great Salt Lake *Too Soon *
The Northwest Appartment *Weed Party
*Is There A Ghost? *Infinite Arms *Older *A Song For You *Marry Song *No One’s Gonna Love You
*Blue Beard *Cigarettes, Wedding Bands *Laredo *Ode To LRC *The Funeral *Writers
*Evening Kitchen
*Snow *Sugarcube

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Botanique, Brussel

Pantha Du Prince

Veellagige soundscapes van Pantha Du Prince

Geschreven door

Pantha Du Prince is het alter-ego van Hendrik Weber, een Duitse producer en DJ, die nu vanuit Berlijn en Parijs opereert, en al een tiental jaar releases op het Hamburgse Dial-label uitbrengt.
Pantha krijgt met zijn derde album, ‘Black Noise’, een ruimere erkenning buiten het danswereldje. De albumtitel verwijst naar de gekleurde ruis, de stilte voor een natuurramp zoals een vulkaanuitbarsting of een aardbeving, die enkel door dieren opgepikt wordt. Een deel van het album werd opgenomen in de Zwitserse Alpen, in een chalet naast het puin van dorpje dat in 1816 onder een aardverschuiving verdween. Op dit veellagige album worden elektronica, akoestische instrumenten en natuurlijke omgevingsgeluiden geïntegreerd, en vind je onder meer gastbijdrages van leden van Animal Collective en LCD Soundsystem. Dit album past dus even goed op de dansvloer als op zondagavond in Duyster, met zijn mix van dromerige soundscapes, psychedelische invloeden, Detroit techno en Duits minimalisme.

Dik verscholen onder het kapje van zijn trainingvest, en met een fles vodka naast zijn laptop, begon Hendrik Weber in Petrol aan een korte set waarin vooral het nieuwe album aan bod zou komen. Met een subtiele waterval van belletjes werd het eerste nummer of gang getrokken, en waren we vertrokken voor een lange dubby trip, met vervreemdende soundscapes waar Boards of Canada of Nathan Fake wel een patent op hebben. Ook de onwereldse psychedelica van Animal Collective had wel enige raakpunten met de composities van Pantha du Prince.
Een clubpubliek kan je natuurlijk niet bij de les houden met drones en bliepjes alleen, zodat de beats na een paar nummers meer op de voorgrond kwamen. Pantha Du Prince wordt soms als minimal techno omschreven, maar dat doet eigenlijk geen recht aan de veellagigheid van de tracks, de beats stuiteren altijd wel op twee of drie niveaus verder, zodat je moeilijk van minimal kan gewagen. Qua filosofie leunen de composities veel dichter aan bij het werk van Autechre of de aanpak van de artiesten op het Warp label, midden jaren negentig, maw altijd op zoek naar nieuwe verrassende geluiden en invalshoeken. Bij momenten doken er ook dubstep invloeden op, zij het in de uitgepuurde Duitse stijl a la Moderat.

Het jonge volkje dat in dit paasvakantieweekend eens goed wou feesten, gooide naar het einde van de set dan ook tevreden de handjes in de lucht.
Als je Pantha Du Prince dit jaar nog eens aan het werk wil zien, kan je deze zomer op Les Ardentes terecht.

Organisatie: Petrolclub, Antwerpen

Arid

Under the cold street lights

Geschreven door

Het Gentse Arid gaf in 2008 nieuw teken van leven met de cd ‘All things come in waves’. Na de succesvolle eerste twee platen ‘Little things of Venom’ (’99) en ‘All is quiet now’ (‘02) nam de band een break, maakte Jasper een solo uitstap, maar werd ook genekt en moest langdurig herstellen van toxoplasmose.
Ondanks het feit dat de vorige cd weinig nieuws onder de zon bracht en een goede afwisseling bood van poprock en ballads, gedragen door Jasper’s vocale capriolen, behielden ze de Vlaamse fans en wonnen zieltjes in Wallonië en Frankrijk. De band werd in ieders armen gesloten; het werd een happy return aan het muzikale front dus.
Het tot een trio gereduceerde Arid, Steverlinck – Du Pré - Van Havere verbaast nu toch wel met hun vierde plaat. ‘Under the cold street lights’ versmelt de eerste twee platen tot één en zorgt ervoor dat hun derde cd een handig tussendoortje werd. Inderdaad het is een meesterlijke nieuwe plaat, een forse stap voorwaarts in hun oeuvre, zoals het al eerder moest zijn. De sound is steviger, venijniger, smeriger en grauwer, zonder aan melodie in te boeten; de songs hebben een onderhuidse spanning, zijn intens broeierig, slepend, gedreven en het ballad gehalte is tot een minimum herleid. Ook de toetsen krijgen een prominente rol en de dubbele zanglijnen betekenen een meerwaarde. Opener “Flood” zet meteen de nieuwe toon van Arid; “Come on”, “All that’s here is all that’s left” en “Custom gold” zijn snedige rockers. “Seven odd years” en “Mindless” zijn Aridsongs als vanouds. En op “Broken dancer” hoor je Arid in z’n meest alternatieve vorm. Variatie en veelzijdigheid troef dus, wat zorgt dat het een erg overtuigende cd is geworden.

The Sonics

Onverslijtbare Sonics serveren protopunk anno 1965

Geschreven door

Laten we beginnen met het rechtzetten van een geschiedkundige blunder: punk ontstond niet in Londen, New York of Detroit maar in Tacoma, Washington. De meest notoire groep die dit onooglijke havenstadje op een steenworp van Seattle ooit heeft voortgebracht, The Sonics, is immers eigenhandig verantwoordelijk voor de eerste geslaagde poging om schreeuwerige vocals, ongepolijste gitaren en een op hol geslagen ritmesectie in elkaar te draaien tot een nieuw opwindend geluid in de popgeschiedenis. Diezelfde rauwe basisingrediënten werden in de jaren daarop ook gebruikt in de muzikale exploten van pakweg MC5, The Stooges, New York Dolls, Ramones en Sex Pistols, maar dé protopunk statement dateert van november 1964 toen The Sonics hun debuutsingle “The Witch” op de nietsvermoedende wereld loslieten. Twee lichtjes fenomenale albums propvol opwindende garagerock avant-la-lettre volgden, ‘Here Are The Sonics!!!’ (1965) en ‘Boom’ (1966), maar zoals de meeste groepen die hun tijd ver vooruit waren gooiden ook The Sonics de handdoek in de ring bij het uitblijven van commercieel succes. Zonder dat ze het zelf beseften groeide hun cult aanhang echter bij elke nieuwe muzikale generatie, en onvermijdelijk moest dat vroeg of laat eens leiden tot een reunie. Sinds 2007 zijn The Sonics terug sporadisch live te bewonderen, en dit voorjaar wordt zelfs een heuse Europese mini-tour ondernomen. In de Gentse Ha’ gaven drie van de originele Sonics vergezeld van twee ingehuurde generatiegenoten acte de présence om hun protopunk aan de tand des tijds te onderwerpen.

It’s awful quiet in here, but we’ll soon change all that”: vooraleer de eerste noot was gespeeld lieten de overjaarse opa’s er geen twijfel over bestaan dat ze niet naar Gent waren afgezakt voor een gezondheidswandelingetje. Eén van de ronkende openers, Barrett Strong’s “Money”, blijkt zanger/toetsenist
Gerry Roslie immers nog steeds even lekker op het lijf geschreven als 45 jaar geleden. Roslie kreeg toen het etiket van ‘de blanke Little Richard’ opgespeld, maar die eretitel heeft hij sinds kort moeten afstaan aan de ingehuurde bassist Freddie Dennis. Het strot van deze kleine brulaap kan je bij momenten zelfs vergelijken met dat van John Fogerty in overdrive, een vergelijking die vooral opging tijdens “Cinderella”, “Lucille” en “Dirty Robber”. Heel even stak de roodgloeiende Dennis zelfs wijlen AC/DC frontman Bon Scott naar de kroon op het nieuwe “I Like Your Bad Attitude”, benieuwd trouwens of daar een volledige nieuwe plaat aan vast hangt?
Alsof het nog niet genoeg is hebben The Sonics met de originele saxofonist Rob Lind ook nog een derde zanger in de rangen. Op Richard Berry’s “Have Love, Will Travel” kreeg zijn sax een vrijgeleide waardoor de temperatuur in de Ha’ nog wat verder opliep en het publiek klaar leek voor een stomend garagerock feestje. Dat drummer Ricky Johnson al eens uit de maat durfde te meppen en de gitaar van Larry Parypa tijdens “Keep A Knocking” plots alle dienst weigerde leken dan ook niet meer dan details. Het was ons en iedereen vooral te doen om ultieme Sonics originals als “Strychnine”, “Boss Hoss” en “Psycho” te ondergaan alsof het 1965 was. Het blijven absolute rock’n’roll standards die ook in de Ha’ door jong en oud werden geapprecieerd, van trendy retrokids met bakkebaarden en geketende portefeuilles tot grijzende jongeren op leeftijd.
Na een stomende set van een goed uurtje konden er toch nog twee korte bisrondes af. De opzwepende Sonics interpretatie van “Louie Louie” mocht hierbij uiteraard niet ontbreken, net als die ene halve hitsingle “The Witch”. Trots en beleefd als de heren zijn deden ze Little Richard’s “Keep A Knocking”, het originele B-kantje van voorgenoemde single, tenslotte nog eens over en dit keer zonder technische storingen. Hoorden we in de intro van dat nummer trouwens geen echo van de Ramones?

Op een leeftijd waar hun generatiegenoten genieten van een welverdiend pensioentje of inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige hebben geruild slagen de overgebleven Sonics er nog steeds in om het heilige rock’n’roll vuur brandend te houden. Malcolm McLaren R.I.P., but long live The Sonics!

Opwarmer van dienst was het Gentse kroeggezelschap The Wrong. Voormalig Soapstone frontman en schuurpapieren strot Tom Derie mag binnen de Gentse muziekscene gerust een legende genoemd worden; in het gezelschap van zingende broer Staf en een bende geroutineerde muzikanten uit o.a. 50ft Combo, Backstabbers en Secret Agent Men grasduint hij nog steeds in 50 jaar soul, blues en garagerock. De thuismatch van The Wrong in de Ha’ leverde zowel op als naast het podium al meteen enkele zwetende lijven op, benieuwd wat dat straks gaat geven op de Gentsche Fieste…

Organisatie: Handelsbeurs, Gent  

Titus Andronicus

Monitor

Geschreven door

Als Bruce Springsteen wat meer aan de Guinness zou zitten en zijn inmiddels seniele E Street Band zou vervangen door een bende jonge punks, dan zou het resultaat waarschijnlijk klinken als deze nieuwe plaat van Titus Andronicus. De band zit mee in het clubje van The Hold Steady en The Gaslight Anthem, ook twee frisse rockgroepen die de energie van Springsteen overgenomen hebben maar niet de pathos.
Daar waar de debuutplaat ‘The airing of grievances’ nog een rauwe punk kopstoot was, is ‘Monitor’ een stuk breder en ambitieuzer opgevat. Die gasten hebben er geen probleem mee om strijkers, blazers, fiddles, een piano en zelfs een doedelzak (jawel, een doedelzak!) in hun powervolle sound binnen te loodsen (The Pogues en Flogging Molly hangen geregeld in de buurt) en de nummers stijgen in een viertal gevallen boven de zeven minuten uit. Afsluiter “The battle of Hampton Roads” steekt hierin met zijn volle 14 minuten de hoofdvogel af, en ’t is een verdomde motherfucker van een song. Vaak wordt het geweer in één en dezelfde song van schouder gewisseld, in “A pot in which to piss” en “Four score and seven” (allebei kanjers van meer dan zeven minuten) levert dit telkens een knap staaltje strijdlustige, gebalde en emotievolle rock op. Punk en dramatiek gaan hand in hand bij Titus Andronicus, en dat is maar weinig bands gegeven. We vinden er toch wel eentje, The Replacements, de vergelijkingen met Paul Westerberg’s groep zijn dan ook niet uit de lucht gegrepen.
Qua strijdvaardige punk menen wij ook een snuif Stiff Little Fingers te herkennen. U merkt het, ’t zijn alleen maar goeie dingen die ons voor de geest komen. Geweldige plaat.

John Hiatt

The open road

Geschreven door

Met de regelmaat van de klok maakt goeie ouwe songsmid John Hiatt (58 is ie ondertussen al) zo om de twee jaar een nieuwe plaat. De laatste jaren waren zijn werkstukjes zeer degelijk, doch niet onvergetelijk. Voor de betere Hiatt platen moeten we toch al terug naar de periode 1983 tot 1993 (‘Riding with the king’ tot ‘Perfectly good guitar’ en alles wat daar tussenin zat), maar zijn nieuwe komt weer aardig in de buurt.
Met ‘The open road’ betreedt hij geregeld de paden van de blues en dat ligt hem. Het levert een werkelijk schitterende bluessong als “Like a freigth train” op, een nummer waarop hij de eenzame hoogten haalt van het absolute meesterwerk ‘Bring the family’.
Met Doug Lancio heeft Hiatt een knappe gitarist in huis die aardig overweg kan met de slide gitaar en hiermee behoorlijk zijn stempel drukt op de hele plaat. Fijne rockers als “My baby” en “What kind of man” worden op die manier door een bedrijvige Lancio lekker voort gestuwd.
Rustiger gaat het er aan toe in de onvermijdelijke typische Hiatt ballads “Homeland” en “Fireball roberts”, zeer herkenbaar maar ook heel mooi.
‘The Open Road’ is gewoon een oerdegelijk John Hiatt album geworden , wat wil zeggen dat er aan de hoge verwachtingen voldaan is en dat springerige Arctic Monkeys of Yeah Yeah Yeahs fans het ding niet echt zullen aanschaffen. John Hiatt is immers zo hip als een baal stro.

The 11 th Hour

Burden Of Grief

Geschreven door

Na het passende opzoekingswerk kwam ik te weten dat de 11th Hour het soloproject is van Ed Warby, een Nederlander die we kennen van bands als Gorefest en Hail Of Bullets. Deze heer heeft het debuutalbum van dit project de naam ‘Burden Of Grief’ meegegeven.
Ja, deze Ed Warby heeft duidelijk genoeg werk gestoken in zijn album. Enerzijds heeft hij zo’n beetje alle instrumenten ingespeeld, behalve de grunts die soms eens passeren. Deze zijn verzorgd door een zekere Rogga Johnnson (bekend van o.a. Edge Of Sanity, Paganizer, Demiurg). Anderszijds is hij er in geslaagd om zes pakkende Doom songs af te leveren.
Er is gekozen voor een zwaar en donker geluid, wat toch wel een must is bij dit soort muziek.
De cleane zang van Ed Warby wordt op passende wijze afgewisseld door de grunts van Rogga Johnnson, al heb ik toch de voorkeur voor deze laatste. Ik vind de zang van Warby nu niet bepaald super, maar dit kan in smaken liggen.
Over de muziek zelf heb ik niet zo veel te zeggen. Het zijn stuk voor stuk prima Doom Metalnummers die zeker in de smaak zullen vallen bij de gemiddelde liefhebber van dit genre. Verwacht niets baanbrekends, maar verwacht ook geen slechte ‘Wannabe’ Doom Metalplaat. Voor mij is dit een meer dan geslaagd album waar ik met genoegen naar geluisterd heb, ik verwacht van andere Doom Metalliefhebbers hetzelfde.

Pagina 438 van 497